<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Pim Breebaart &#124; blog</title>
	<atom:link href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog</link>
	<description>toespraken, columns en artikelen in woord en beeld</description>
	<lastBuildDate>Wed, 25 Apr 2012 08:09:54 +0000</lastBuildDate>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.0</generator>
		<item>
		<title>De Januskop van een toezichthouder</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1217</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1217#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 10 Apr 2012 07:21:43 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[columns]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1217</guid>
		<description><![CDATA[Bij de jaarlijkse evaluatie vertelde een toezichthouder dat zij dit werk doet namens de samenleving. En daarom waardeert ze dat meer dan 50% van de studenten uit een gezin met laag opgeleide ouders komt. Zij wil dat juist deze groep goed onderwijs ontvangt. En zij is positief over de collegevoorzitter die persoonlijk uitstraalt dat dit [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Bij de jaarlijkse evaluatie vertelde een toezichthouder dat zij dit werk doet namens de samenleving. En daarom waardeert ze dat meer dan 50% van de studenten uit een gezin met laag opgeleide ouders komt. Zij wil dat juist deze groep goed onderwijs ontvangt. En zij is positief over de collegevoorzitter die persoonlijk uitstraalt dat dit onderwijs voor de emancipatie van bepaalde groepen belangrijk is. Ze steunt de maatschappelijke doelen en begrijpt dat er regelmatig teleurstellingen verwerkt moeten worden over het ontbreken van voldoende resultaat. Een andere toezichthouder vertelde dat hij op het moment dat hij de hogeschool in loopt de belangen van deze hogeschool dient en niet van anderen in de samenleving. Hij was vooral tevreden over de collegevoorzitter omdat deze goed op de bedrijfsprocessen let en de financiële continuïteit van de organisatie garandeert.<span id="more-1217"></span></p>
<p>Er is de laatste jaren veel kritiek op de kwaliteit van het interne toezicht. Daarbij wordt de suggestie gewekt dat de toezichthouder zich door de bestuurder om de tuin laat leiden, men houdt elkaar te vriend en gaat af en toe eens gezellig dineren. Dus de toezichthouder zou disfunctioneren. Het is aantoonbaar dat interne toezichthouders met een zekere regelmaat gefaald hebben. Maar het is te gemakkelijk om dat alleen op disfunctioneren te gooien. De meeste toezichthouders in het hoger onderwijs zijn zeer goed ontwikkelde mensen die het beste met het onderwijs voor hebben. Je zou kunnen tegenwerpen dat veruit de meeste toezichthouders weinig verstand van onderwijs hebben. Dat is waar en het verdient aanbeveling om dit te veranderen. Maar het zal niet de oplossing blijken.</p>
<p>Het kernprobleem is dat de wetgever het perspectief van het interne toezicht in semi-overheids organisaties niet duidelijk maakt. Wordt er toezicht gehouden vanuit het idee dat de samenleving veel jonge mensen reële kansen wil bieden dan waardeer je de inspanningen en onvermijdelijke teleurstellingen op dit terrein. Dan prijs je de collegevoorzitter die van het falen een leermoment maakt, de collega’s stimuleert, eisen stelt aan de kwaliteit van de docenten en een nieuwe aanpak introduceert. Dan wordt de student getraind op conceptueel en kritisch vermogen. Allemaal om er voor te zorgen dat zo veel mogelijk studenten met een stevig curriculum naar het diploma worden begeleid. Maar wordt er toezicht gehouden vanuit de idee dat de instelling een bedrijf is, vanuit de continuïteit en het belang van de individuele hogeschool, dan zal een toezichthouder een gezonde bedrijfsvoering hoog waarderen. Dan zullen glanzende folders en grote woorden op de website studenten lokken, er zal tevredenheid heersen bij de diplomering van veel geslaagden ook al kent een diploma een matige bagage en er zal applaus klinken als men de concurrentie te snel af is. Dan staat het toezicht op de bedrijfseconomische waarde van de instelling veel vaker op de agenda dan de onderwijskwaliteit. En in dit geval is het logisch om een voorzitter te steunen die beheersmatige kwaliteiten laat zien. Het perspectief maakt dat goedwillende toezichthouders toch slechts een deel van de hogeschool zien, aan andere belangrijke delen van een hoger onderwijsinstelling voorbijgaan en af en toe uit de krant moeten lezen dat de kwaliteit van hun hogeschool sterk te wensen over laat. Misschien moet een goede toezichthouder afwisselend beide perspectieven kiezen, dat kan helpen.</p>
<p>Pim Breebaart</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1217&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1217</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De kwaliteit van de toezichthouder doet ertoe</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1205</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1205#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 12 Mar 2012 12:40:17 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1205</guid>
		<description><![CDATA[Vergis ik me of hoor ik het goed? In veel Raden van Toezicht zoekt men op dit moment ervaringsdeskundigen uit de core business. Dus artsen voor toezicht in de zorg, ervaren docenten of onderwijsdeskundigen voor het toezicht in het onderwijs en bouwdeskundigen met het hart op de goede plaats voor woningbouwcorporaties. Dat is twintig jaar [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Vergis ik me of hoor ik het goed? In veel Raden van Toezicht zoekt men op dit moment ervaringsdeskundigen uit de core business. Dus artsen voor toezicht in de zorg, ervaren docenten of onderwijsdeskundigen voor het toezicht in het onderwijs en bouwdeskundigen met het hart op de goede plaats voor woningbouwcorporaties. Dat is twintig jaar lang anders geweest. Men vond het zelfs een voordeel als de toezichthouder weinig verstand van het kernproces had. Vreemde ogen dwingen, dacht men. En in de organisatie was men vaak blij, want een vreemdeling met weinig verstand van het primaire proces kan zich dus ook geen ultiem oordeel vormen over de kwaliteit. En sommigen zullen gedacht hebben dat er niets vervelender is dan een toezichthouder die met verstand van zaken reflecteert of oordeelt.<span id="more-1205"></span></p>
<p>Er lijkt een kentering plaats te vinden. Veel Raden zoeken op dit moment nieuwe leden die juist wel verstand hebben van het kernproces. En wellicht zal er een nieuw en gezond evenwicht ontstaan tussen het aantal toezichthouders met financiële, vastgoed en hrm kwaliteiten en het aantal leden met verstand van zaken van het eigenlijke kernproces. Politici, journalisten en studenten- of patiëntenverenigingen wijzen bij grote schandalen over de kwaliteit van onderwijs of zorg telkens op het falen van de interne toezichthouder. Waarom heeft die zelf niet eerder gezien dat de diploma’s geen inhoudelijke bagage vertegenwoordigden? Waarom heeft de toezichthouder niet eerder gezien dat aan de operatietafel geknoeid werd? Waarom zag men niet eerder dat meer dan 50% van de studenten binnen twee jaar ongediplomeerd uitviel?</p>
<p>Een paar weken terug was ik in de Hotelschool of Hong Kong. Deze school is onderdeel van de grote Polytechnic of Hong Kong. Ik vroeg wat de oorzaak is dat deze Hotelschool de laatste tien jaar tot de absolute top van de wereld is gaan behoren. En de professor die me rondleidde zei: absolute eerbied voor de professie van docent in de gastvrijheid, een kleine school met zware selectie aan de poort, een voorzitter van bestuur én een supervisory board die veel verstand hebben van onderwijs én hospitalty. En om te bewijzen wat hij zei liet hij me de vitrine in de hal zien. Ik zag de namen, foto’s en cv’s van de betrokkenen en wat ze al gepubliceerd hadden in wetenschappelijke tijdschriften. Over hospitality education. Maar ik zag ook een foto uit 2002 van de ondertekening van het contract dat bepaalde dat deze Hotelschool binnen de grote Polytechnic of Hong Kong een geheel zelfstandige positie heeft gekregen. Zijn dit elementen voor succes? En kan ik dit naar Nederland vertalen? Laatst sprak ik de voorzitter en leden van de Raad van Toezicht van een grote hogeschool. Hij vertelde me dat de Raad van Toezicht geen kennis heeft van onderwijs. Gelukkig wel van andere zaken, dacht ik in mijn achterhoofd. De Raad van Toezicht steunde op de voorzitter CvB die wel veel verstand van onderwijs zou hebben. En toen ik hem vroeg hoe zij dan de presentaties van de voorzitter CvB over onderwijszaken op zijn mérites beoordeelden, bleef hij het antwoord schuldig. Hoe hou je dan toezicht op de kwaliteit, vroeg ik? Dat is niet gemakkelijk, gaf hij toe. De agenda werd veelal gevuld met financiën, organisatieperikelen of reorganisaties van academies naar faculteiten en weer terug, vastgoedrisico’s en het treasury statuut. En af en toe een bezoek aan een opleiding en een presentatie van de collegevoorzitter over de kwaliteit van hun onderwijs. Maar bij die presentaties luisterden de toezichthouders. Men was niet in staat de geldigheid van presentaties over de kwaliteit van het onderwijs te beoordelen, laat staan dat men door kritische bevraging de collegevoorzitter daadwerkelijk kon steunen in zijn moeilijke taak, vertelden mijn gesprekpartners. En daarom had men het plan opgevat om bij de twee volgende vacatures onderwijservaring en –deskundigheid binnen te halen. Dat leek me een wijs besluit. Het is een noodzakelijke voorwaarde voor goed toezicht, maar is het ook voldoende om er voor te zorgen dat de kwaliteit die we willen feitelijk bereikt wordt? Is het voldoende om niet uit de krant te hoeven lezen dat diploma’s van jouw instelling teleurstellend weinig kennis en inzicht vertegenwoordigen?</p>
<p>In heel wat gevallen moet een toezichthouder vertrouwen hebben in de voorzitter van het College van Bestuur. Het gaat dan niet om de persoon. Is hij aardig of niet, is hij communicatief of niet, is hij besluitvaardig of niet, is hij beheersmatig sterk of niet? Deze persoonskenmerken zijn in relatie tot de kwaliteitsvraag eigenlijk niet in eerste aanleg relevant. Het gaat er om of de collegevoorzitter die dagelijks leiding geeft zelf de kwaliteit van het primaire proces voldoende kan beoordelen, of hij aanvoelt waar het mis zal gaan, of hij de signalen over een slechte kwaliteit van het onderwijs herkent en dit omzet in actie? Daar heb je een ervaren persoon voor nodig, iemand die zeker twintig jaar zelf in het onderwijs heeft gewerkt, als docent en/ of faculteitsdirecteur. Je hebt iemand nodig die goed kan reflecteren op vele signalen die hij dagelijks uit zijn instelling ontvangt. Je hebt iemand nodig die uit ervaring en deskundigheid weet of hij te maken heeft met een gefantaseerde werkelijkheid verteld door een charlatan of een doorwrocht onderwijs verhaal. Hij moet weten of zijn docenten hem iets op de mouw spelden omdat ze redenen hebben om de echte resultaten van hun werk niet te laten zien of dat ze werken met een hele moeilijke groep studenten die veel teleurstellingen geven maar voor wie alleen door hard  en gedisciplineerd werken resultaten geboekt kunnen worden. Hij moet in staat zijn al zijn ervaring en wijsheid over opvoeding en onderwijs te bundelen en vervolgens verwachten we van hem dat hij dit inspirerend overdraagt op de collega’s. Het viel me op dat de nieuwe directeur van de Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in Zorginstellingen recent een lans brak voor het benoemen van de nieuwe voorzitters van de Raden van Bestuur uit het eigen midden. Dus geen voorzitters meer die weinig van zorg weten en vanuit andere maatschappelijke velden benoemd worden tot voorzitter van een ziekenhuis. Benoem nieuwe voorzitters uit de zorg zelf, was zijn advies. Als je wilt dat de zorg meer kwaliteit gaat leveren dan is één van de noodzakelijke voorwaarden dat de hoogste leidinggevende verstand heeft van geneeskunde en zorg.   En als je dat doet dan moet je daar de high potentials op voor bereiden. Al lang voordat ze voorzitter van de Raad van Bestuur worden. De toezichthouder moet zich realiseren dat hij tien jaar van te voren de weg moet effenen voor high potentials, bijscholingen moet aanbieden en vooral ook moet laten zien hoe goed het is als de beste artsen en psychiaters hun kwaliteiten op bestuurlijk vlak oefenen en bijscholen. Het probleem van doorgeschoten beheersmatig denken, te grote verwachtingen van het succes van reorganisaties of wegkijken dan wel niet herkennen van slechte kwaliteit heeft alles te maken wie de baas benoemt, wie de baas is en hoe je de baas opleidt. Ik dacht na over de hogescholen en universiteiten. Is het daar niet hetzelfde? Realiseren de Raden van Toezicht zich daar dat zij een erg belangrijke taak hebben in de opvolging van de hoogste leidinggevenden? Niet alleen op het moment dat er een vacature ontstaat, maar eigenlijk al vijf jaar er voor! En dan heb je in de Raad misschien juist weer toezichthouders nodig die de kwaliteiten in het kernproces vanuit eigen ervaring kunnen beoordelen. Want soort zoekt soort. En daarmee is de cirkel rond.</p>
<p>Pim Breebaart</p>
<p>Dit artikel is gepubliceerd door de VTOI, Vereniging van Toezichthouders in Onderwijsinstellingen, in maart 2012</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1205&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1205</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Verkeerde studiekeus?</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1203</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1203#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 12 Mar 2012 12:38:21 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1203</guid>
		<description><![CDATA[Er zijn veel studenten die na een jaar met de studie van hun eerste keuze stoppen, een andere opleiding kiezen of stoppen met studeren. Meestal beoordelen beleidsmakers, bestuurders en de minister dit negatief. Het liefst zien we dat studenten na hun middelbare school direct de ‘goede’ keuze maken. Het voorkomt desillusies bij de student en [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Er zijn veel studenten die na een jaar met de studie van hun eerste keuze stoppen, een andere opleiding kiezen of stoppen met studeren. Meestal beoordelen beleidsmakers, bestuurders en de minister dit negatief. Het liefst zien we dat studenten na hun middelbare school direct de ‘goede’ keuze maken. Het voorkomt desillusies bij de student en zijn ouders. En verkeerd kiezen kost de samenleving veel geld.<span id="more-1203"></span></p>
<p>Toen ik ging studeren was er behalve mijn vader niemand die daar met mij over sprak. Ik schreef me in en daar ging ik. En dat gold voor velen. In de jaren zeventig en tachtig was ik docent en directeur in het hoger onderwijs. De nieuwe studenten meldden zich aan, vaak nog op het laatste moment, eind augustus. De eerste keer dat ze onze hogeschool van binnen zagen was hun eerste schooldag na de vakantie. Ze hadden een vaag beeld van wat komen ging en vatten de studie aan. Om het beeld van de studenten over hun studie bij te stellen begonnen we in de loop van de jaren tachtig met een open dag. En nog iets later gingen we naar een studiebeurs op de middelbare school. Twintig jaar verder en we kennen zeer intensieve studieprogramma’s voor de hoogste klassen in het middelbaar onderwijs, de havisten en gymnasiasten studeren tijdens hun laatste jaar al in een speciaal programma van de hogeschool en universiteit. Voor studenten die een wijs advies van hun ouders missen omdat die ouders het niet weten hebben we intensieve mentorprogramma’s. Eén op één wordt de aankomende student begeleid naar zijn studiekeuze toe. De middelbare scholier mag alvast colleges volgen, er zijn studiedagen, meeloopprogramma’s, en alle middelbare scholen kennen tegenwoordig studiedecanen die alle opleidingen aan hogescholen en universiteiten uit hun hoofd kunnen opnoemen. En dat zijn er heel veel. En in tegenstelling tot veertig jaar geleden zijn de voorlichtingfolders in omvang enorm gegroeid en is er op het internet overstelpend veel meer informatie dan ooit. Er zijn digitale toetsprogramma’s die jouw affiniteit met beroepsprofielen mengen. In het eerste jaar is alles erop gericht om het comfortabel te maken en wordt de student begeleid door een tutor, een getrainde oudere jaars student. Kortom, nog nooit is de overgang van het middelbaar onderwijs naar het hoger onderwijs zo intensief begeleid door professionals en oudere jaars studenten. En toch wordt er veel meer ‘verkeerd’ gekozen dan dertig jaar geleden.</p>
<p>Het zou ideaal zijn als je in staat bent iedere student direct naar zijn goede en succesvolle studie te begeleiden. Geen tijdverlies en geen desillusies. Wat zou de kwaliteit van ons onderwijs vooruit schieten. Wat zou de Nederlandse economie er sterk op vooruit gaan. Het Bruto Nationaal Inkomen zou door het hogere opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking op termijn zomaar tien tot vijftien procent hoger zijn. Zeer waarschijnlijk zouden we dan eindelijk in de wereldwijde ranking van de meest competitieve landen tot de top drie behoren. Het perspectief is dus meer dan geweldig. Wat jammer toch dat ondanks onze inspanningen het niet lukt om dit doel te bereiken. De cijfers liegen niet. Er zijn tegenwoordig veel hogere opleidingen die na twee jaar meer dan de helft van hun studenten kwijt zijn. Moeten we iedere middelbare scholier nog intensiever gaan begeleiden? En zal dat helpen? Of zitten we op een dood spoor? De vraag is of we wel met het juiste perspectief naar de studiekeuze kijken?</p>
<p>Hoe praten we over de studiekeuze van de student? Bijna altijd spreken we over ‘verkeerd’ kiezen door de student. We benoemen het negatief en we leggen de oorzaak bij de student zelf. Hij kiest verkeerd. Sommige ouders zijn laag opgeleid en dus niet in staat hun eigen kind goed te begeleiden, zeggen we. En we weten zeker dat de middelbare school de leerlingen niet goed voorbereidt. Het hoger onderwijs reflecteert weinig op het studie aanbod en de eigen organisatie van het onderwijs. Waarom bieden hogescholen en universiteiten honderden opleidingen aan die zich nauwelijks van elkaar onderscheiden? Maar wel met steeds andere namen. Zou de bestuurlijke reactie om ieder instelling te profileren helpen? Waarschijnlijk niet voor dit probleem. Want het is geen antwoord op dit probleem. Als grote hogescholen zich het hoofd breken over profilering dan vergeten ze eerst en vooral heel veel studenten met een erg gemiddelde en modale kwaliteit naar de eindstreep te begeleiden. Daar is waarlijk iets anders voor nodig dan de profilering van de hogeschool. Er zijn heel erg veel bacheloropleidingen. We maken de aankomende student gek met een overdruk aan overbodige informatie. Profilering van grote hogescholen en grote universiteiten zal betekenen dat we nog meer onderscheidingen op details gaan kennen. Met als gevolg dat menig student het helemaal niet meer zal overzien en bij enige tegenslag tijdens de studie zal denken dat hij verkeerd gekozen heeft en het gras bij die andere opleiding met een net weer andere naam groener is. Het huidige beleid van de staatssecretaris, hogescholen en universiteiten kan gemakkelijk in zijn tegendeel verkeren. Erger nog, het versterkt het waanidee dat een bachelor opleiding in de Pabo of commerciële economie in Groningen echt iets anders kan zijn dan in Rotterdam. Als het om gespecialiseerde opleidingen zoals aan een conservatorium of hotelschool gaat, ja daar zie ik veel verschillen in kwaliteit en profiel. Echter, als het om grote basisopleidingen gaat als rechten, economie, psychologie, bestuurskunde, lerarenopleidingen dan is profilering je zelf voor de gek houden. En als je jezelf voor de gek houdt dan zal de zoekende middelbare scholier het nog moeilijker krijgen. Sommige bestuurders willen de studenten sorteren naar hun motivatie en talent? Dat zou goed zijn voor de uitblinkende student en voor de instelling. Het idee is aanlokkelijk. Althans voor de bestuurders die vertrouwen op sorteermachines en snelkookpannen. Alle excellente studenten bij elkaar en de grote rest in een ander hok. De vraag is natuurlijk of de student op een dergelijke manier in elkaar zit. Werkt het zo? Welk deel van het verkeerd kiezen vindt zijn oorzaak in de student, welk deel is te wijten aan misleiding door en een gebrek aan kwaliteit van de opleiding, hogeschool of universiteit en welk deel ligt daar nog buiten? De student moet uiteindelijk toch aan een opleiding beginnen om te weten te komen of dit zijn passie krijgt. Een enkeling weet het zeker. Sommige studenten weten binnen een maand dat een andere keuze beter was geweest, bij velen kost dat maanden en soms jaren. Het is niet zoals bij een doos bonbons dat je de eerste pakt en direct denkt: fantastisch of shit, dit was nou net niet de lekkerste.  Want de psychologie van leren laat zien dat je ergens je tanden in moet zetten, doorbijten, in de breedte en diepte kennis op doen, trainen en nog eens trainen om passie te ontwikkelen voor die wetenschap of dat beroepsperspectief. De passie kan niet extrinsiek worden opgelegd. Het is meer een veroveringsstrategie dan een keuze in de etalage van bonbonnerie. En die veroveringsstrategie houdt per definitie in dat je probeert en nog eens probeert. Er wordt altijd ergens onder weg wel verkeerd gekozen. Grote en kleine keuzes waar je spijt van krijgt. Dat is onderdeel van het leerproces. Een mooi en waardevol onderdeel. Het hoort erbij. En meestal het meest leerzame onderdeel. De bestuurders denken dat ze een goed begeleide groepsreis aanbieden en dat zij alle doelen en locaties naar tevredenheid kunnen managen. Maar de student is bezig met zijn eigen trektocht, rugzak op, hij is op weg naar iets waar hij nog nooit geweest is, hij weet de richting wel zo’n beetje maar weet niet precies waar hij uit gaat komen. Dat weet hij pas als hij er is, ondanks al die uitstekende begeleiding van de Lonely Planet. Dat maakt het spannend en waard om te proberen. Je test jezelf. Tijdens de reis stel je het doel bij afhankelijk van je ervaringen. De hele reis maak de student keuzes, verkeerde? Soms misschien wel en dan keert hij om. Maar vaak kiest hij juist wel goed omdat hij erover heeft gehoord. Of bouwt hij een verkeerde keus toch weer om tot iets waardevols.</p>
<p>Niet iedereen is evengoed voorbereid op de reis in het Hoger Onderwijs. Veel jongens raken tijdens hun tocht door een gebrek aan discipline en overmaat aan onzekerheid de richting kwijt. Oudere studenten gunnen zichzelf geen tijd om zoekend op weg te gaan. En mislukken. Veel allochtone studenten hebben te weinig ervaring met zelfstandig lezen van de spoorboekjes en komen niet op het eindstation aan. En heel wat studenten met een matige of onvoldoende vooropleiding in hun rugzak beseffen binnen twee jaar dat dit niet gaat lukken. Natuurlijk helpt het als we deze ‘risicogroepen’ identificeren en steunen. Maar als het steunen betekent dat we van de trektocht een groepsreis maken waarbij we voor ieder een comfortabel aan alle kanten veilig gemaakte reis willen ontwikkelen dan vergissen we ons ten ene malen in de aard van opvoeden en onderwijs. Er is geen zekerheid over het doel, er is geen vooruitgelopen passie voor een beroep of wetenschap als je er nog nooit geweest bent, er is geen pedagogische ruimte om jongeren aan de hand mee te nemen en extrinsiek te motiveren tot studiesucces. De student moet het echt zelf doen, van dag tot dag. Hij zal zich in moeten spannen, andere leuke dingen moeten laten voor wat ze zijn en veel tijd aan zijn studie moeten geven. Wat hij krijgt voorgeschoteld is een zeer versnipperd aanbod van erg veel net van elkaar verschillende opleidingen. Dit zou terug gebracht kunnen worden tot een paar onderscheiden bacheloropleidingen. Dat zou helpen om transparante spoorboekjes te maken. En juist de genoemde risicogroepen zouden het meest gebaat zijn bij een sterk gestructureerd curriculum met veel contacttijd en met ervaren en deskundige docenten. Daarmee kan ‘verkeerd kiezen’ sterk terug gedrongen worden. En misschien komen we dan middels een ingrijpende hervorming van het hoger onderwijs toch weer terecht bij de best opgeleide bevolking van de wereld en tot één van de meest competitieve landen van de wereld. En dat zou mooi zijn.</p>
<p>Pim Breebaart</p>
<p>Dit artikel is gepubliceerd in Expertise, visie tijdschrift voor het hoger onderwijs, maart 2012</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1203&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1203</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ouders zaaien, kinderen oogsten</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1199</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1199#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 08 Mar 2012 17:09:13 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[columns]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1199</guid>
		<description><![CDATA[Wat een heerlijk land dat alle burgers mee laat betalen aan mijn woonplezier. Ik woon in een pand van ongeveer een miljoen euro. En ik heb 52% van de financieringskosten teruggekregen van de gemeenschap. Dank daarvoor want anders had ik een aanzienlijk kleiner of goedkoper pand moeten aanschaffen. Eén van de grootste ontwikkelingen van de [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Wat een heerlijk land dat alle burgers mee laat betalen aan mijn woonplezier. Ik woon in een pand van ongeveer een miljoen euro. En ik heb 52% van de financieringskosten teruggekregen van de gemeenschap. Dank daarvoor want anders had ik een aanzienlijk kleiner of goedkoper pand moeten aanschaffen. Eén van de grootste ontwikkelingen van de 21<sup>ste</sup> eeuw is de bio-medische wetenschap en technologie. Waarschijnlijk is het land dat nu in deze sector het meest presteert over 30 jaar het meest innovatieve en ondernemende land. Daarom steekt het kabinet ongeveer 8,82 € per Nederlander in deze topsector. De minister van EZ zegt dat dit ondanks de krappe tijden natuurlijk erg verstandig is voor de toekomst van ons nageslacht,. De staatssecretaris van OCW wil zijn begroting ontlasten door Duitse en Engelse studenten aan de grens te ontmoedigen. En de Nederlandse dag- en weekbladen staan vol artikelen over identiteit en heimwee naar het verleden.<span id="more-1199"></span></p>
<p>Twee van onze kinderen zijn geëmigreerd naar Singapore. Als zij daar een huis kopen krijgen ze niets gratis, ze betalen het volle pond voor iedere lening. Ze kiezen voor een kleiner huis of verder weg van het centrum.  Singapore heeft in de afgelopen vier jaar 460 € per inwoner in de bio-medische research gestopt en voor de komende jaren ligt er 740 €  klaar. Singapore heeft naast zijn hoge ambities en investeringen in groene energie en ict de ambitie om wereldleider in de bio-medische sector te worden. Het onderwijs en het opleidingspeil behoren al tot de hoogste van de wereld. Toch heeft Singapore in 2011 een nieuw university college en een nieuwe technische universiteit geopend. Allebei direct met de beste studenten en docenten uit de wereld en vooral bedoeld om veel buitenlandse studenten onderwijs te geven. De president van het land juicht immigratie publiekelijk toe. Voor een land met 5,5 miljoen inwoners en kleiner dan Zuid-Holland geen kattenpis. En de dagbladen staan vol artikelen over de toekomst van Azië.</p>
<p>Vernieuwing van de economie en samenleving verloopt altijd via het patroon dat een generatie zich geneugten ontzegt, bovenmatig inspant en innoveert en de volgende generaties daar de rijpe vruchten van plukt. En dan begint het spel opnieuw. De vraag is: welk van deze twee landen de komende decennia een bloeiende kenniseconomie zal hebben? Welk van deze twee landen stopt zijn rijkdom in niet-productieve consumptie van de 50-plussers en welk land stopt zijn rijkdom in wetenschap en techniek voor de 30-minners? Naar welke universiteiten van deze twee landen zal de wereld zijn  aller slimste kinderen sturen? En dan gaat het met name om de keuze van ouders in Afrika, Midden-Oosten en Azië, want daar woont 75% van de wereldbevolking. Welk van deze twee landen zal over 30 jaar tot de meest competitieve landen van de wereld behoren? En de kernvraag is: zijn de antwoorden op deze vragen onvermijdelijk die van winners en losers. Nee, natuurlijk niet, ook ons nageslacht kan tot de winnaars behoren, in Nederland en in Europa, als wij onze grenzen wagenwijd open stellen voor talenten uit de hele wereld en onze rijkdom vooral besteden aan het goed opleiden van onze jeugd!</p>
<p>Pim Breebaart</p>
<p>Deze column stond in maart 2012 in Expertise, visieblad voor het Hoger Onderwijs</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1199&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1199</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Jan Kamminga en de techniek</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1194</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1194#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 28 Feb 2012 13:17:23 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[columns]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1194</guid>
		<description><![CDATA[Jan Kamminga is een enthousiaste en inspirerende man. Dat konden we weer eens zien in het programma Tegenlicht van de VPRO over de Innovatie van de Nederlandse Technologische Industrie. Wat een enthousiasme, hij reist met de kijker langs de mooiste high tech bedrijven van Nederland. Het is wel duidelijk dat deze bedrijven alleen maar kunnen [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Jan Kamminga is een enthousiaste en inspirerende man. Dat konden we weer eens zien in het programma Tegenlicht van de VPRO over de Innovatie van de Nederlandse Technologische Industrie. Wat een enthousiasme, hij reist met de kijker langs de mooiste high tech bedrijven van Nederland. Het is wel duidelijk dat deze bedrijven alleen maar kunnen overleven als jongens en meisjes in Nederland wis- en natuurkunde of andere technische vakken studeren en er ook heel erg goed in zijn.  Alleen dan zal Nederland op den duur zijn sterke economische positie kunnen handhaven of versterken. Dat heeft Jan duidelijk neergezet.<span id="more-1194"></span></p>
<p>Maar helaas gaan veel jongeren economie, psychologie of rechten studeren en laten te veel jongeren wis- en natuurkunde links liggen. In Tegenlicht zeggen sommige high tech bazen dat jongeren gedwongen moeten worden een andere studiekeus te maken. En Jan knikt instemmend. Moeten hogescholen en universiteiten de poort van psychologie en rechten dichtgooien en die van wiskunde openen? Zou dat kunnen? En zal het helpen? Is het mogelijk om jonge mensen van achttien jaar op basis van externe prikkels in hun voorkeuren nog te beïnvloeden? Gelooft iemand dat?  Waarom geven ondernemers de schuld aan hogescholen en universiteiten?</p>
<p>Toen ik enige tijd geleden over dit onderwerp een toespraak tot 125 high tech ondernemers van een VNO-kring mocht houden vroeg ik eerst wie er kinderen heeft. Bijna iedereen stak zijn vinger op. En wie heeft een kind dat in het hoger onderwijs studeert of studeerde. Ik schat dat 80% zijn vinger opstak. Slimme ouders, slimme kinderen, riep ik. En toen vroeg ik wie een kind heeft dat exacte wetenschappen of techniek studeert. Drie vingers. Waarop ik riep: kijk, hier hebben we de oorzaak. Dus jullie zijn allemaal topondernemers in de techniek en jullie kinderen die door jullie zijn opgevoed gaan andere mooie dingen bestuderen dan natuur en techniek. En dan komen jullie naar mij luisteren hoe de hogeschool of universiteit datgene dat jullie als vader en moeder niet tot stand hebben gebracht zullen herstellen. Nou, dat kan het onderwijs niet.</p>
<p>Jan Kamminga streeft een belangrijk doel na en hij doet dat met enthousiasme. Dat is fantastisch. En ik hoop dat heel veel scholen hun leerlingen en studenten stimuleren om Natuur, Techniek, Biologie en Chemie te studeren. Maar alle technasia of kies exact campagnes ten spijt, de school kan maar een heel klein beetje herstellen wat de vader en moeder op dit punt hebben laten liggen. Tien jaar na de geboorte zijn veel van de voorkeuren en ambities van een kind al gevormd. Denken dat je daarna de ambities en voorkeuren met dwang nog sterk kan veranderen impliceert een blind geloof in de flexibele en maakbare mens. Dat leidt tot desillusies en mogelijke grotere ontwrichting dan ons lief is. Ouders moeten zelf de kinderen liefde voor natuur en techniek bijbrengen en de school kan daar heel goed op aansluiten. Als ik goed naar Jan heb geluisterd dan studeert zijn dochter in Groningen psychologie net als al die kinderen van die high tech ondernemers. Misschien is het beter als die oudere ietwat klagerige ondernemers veel in hun kleinkinderen van vijf jaar investeren, pak de auto en rij naar Le Parc de la Villette in Parijs of dat prachtige Deutsches Museum von Meisterwerken der Naturwissenschaft und Technik in München. Dat is effectiever dan klagen en veel effectiever dan jong volwassenen dwingen.</p>
<p>Pim Breebaart heeft drie kinderen. Alle drie hebben in de Techniek gestudeerd en zijn daarin werkzaam. Ze zijn ook getrouwd met ingenieurs.</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1194&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1194</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De chef-kok</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1186</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1186#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 10 Jan 2012 19:28:50 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[columns]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1186</guid>
		<description><![CDATA[Stephen Mennell, hoogleraar Europese geschiedenis aan de University of Exeter , schreef het boek Smaakverschillen, eetcultuur in Engeland en Frankrijk vanaf de middeleeuwen tot nu. Een historisch werk over het ontstaan en de ontwikkeling van de Franse en Engelse keukens. Met veel oog voor details toont Mennell dat er tot 1750 geen verschil tussen de [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Stephen Mennell, hoogleraar Europese geschiedenis aan de University of Exeter , schreef het boek Smaakverschillen, eetcultuur in Engeland en Frankrijk vanaf de middeleeuwen tot nu.  Een historisch werk over het ontstaan en de ontwikkeling van de Franse en Engelse keukens.  Met veel oog voor details toont Mennell dat er tot 1750 geen verschil tussen de Engelse en Franse keukens bestond. Daarna ontstaat er een historische scheiding tussen de twee rijkste landen van Europa. In het 19de eeuwse  Engeland werd de manager de belangrijkste leidinggevende. De manager stond niet meer in de keuken, hij werd ‘vrijgesteld’. De eerste managementscholen ontstonden. Het restaurant werd gezien als een economisch winstobject. De kok die na twintig jaar nog steeds in de keuken stond werd gezien als loser. Het is heel moeilijk te verklaren waarom dit in Frankrijk zo anders is gelopen. In het Frankrijk van de 19de eeuw kreeg de chef de cuisine de hoogste status. Het publiek, ook al hadden ze nog nooit bij een beroemde chef gegeten, ging hem bij zijn naam noemen. Het publiek sprak met ontzag over Escoffier en al die anderen. Als waren zij kunstenaars. Er ontstond concurrentie tussen de chefs. Ieder ging zijn eigen kookboeken schrijven en wilde nog mooiere gerechten bereiden dan de ander. De chef-kok stond achter het fornuis. Om het beroep te leren moest de leerling een lange weg gaan, te beginnen in een koksschool. Degene die de keuken uit moesten waren de losers.<span id="more-1186"></span><br />
Wij weten hoe het  is gegaan. De Engelse keuken zakte weg naar een vreselijk niveau. En de Franse keuken begon zijn opmars naar zijn huidige sterrenstatus. Pas na 250 jaar zijn er weer een paar Engelse koks die zelf achter het fornuis staan en het Engelse volk de liefde voor de gastronomie bij brengen.<br />
En hoe gaat het dan met ons onderwijs? Wordt de beste docent ook faculteitsdirecteur of voorzitter van het College van Bestuur? Wordt er met liefde voor het onderwijs bestuurd? Staan de directeuren en voorzitters zelf voor de collegezaal en kijken de docenten mee hoe hun baas het goede voorbeeld geeft? Wordt er nagepraat hoe dat college nog beter zou kunnen? Schrijven voorzitters artikelen en boeken over de kunst van het onderwijs verzorgen? Ja, ooit met Theo Thijssen. Maar vandaag? In een groot deel van de wereld is het onmogelijk om voorzitter of dean te worden zonder een grote staat van dienst in het onderwijs en onderzoek. In Nederland benoemen we vaak een vrijgestelde manager aan de leiding, liefst niet afkomstig uit het onderwijs. Nederland denkt een excellente (ja, ja) school of universiteit te bereiken met een manager als chef-kok.  We zullen zien hoe dat afloopt. Over honderd jaar weten we het. Maar ik roep nu alvast: neem een echte chef de cuisine!  Dat scheelt als het diner geserveerd wordt.</p>
<p>Deze column werd gepubliceerd in het tijdschrift HO Management van de SDU in januari 2012</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1186&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1186</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>En nu nog een heel goede hogeschool</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1150</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1150#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 18 Dec 2011 19:22:05 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1150</guid>
		<description><![CDATA[Het onderwijs in Nederland is in beweging om iedere jongen of meisje een kwalitatief goede opleiding te geven. Vooral de laatste decennia ontwikkelen zich in het primair en voortgezet onderwijs varianten met een speciale focus: de technasia, de LOOT-scholen gericht op topsport, brede scholen en scholen met veel aandacht voor kunst en cultuur. Het gaat [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Het onderwijs in Nederland is in beweging om iedere jongen of meisje een kwalitatief goede opleiding te geven. Vooral de laatste decennia ontwikkelen zich in het primair en voortgezet onderwijs varianten met een speciale focus: de technasia, de LOOT-scholen gericht op topsport, brede scholen en scholen met veel aandacht voor kunst en cultuur. Het gaat er dan om de kwaliteit van de gehele school te verbeteren met het oogmerk specifieke talenten te ontwikkelen. Voor universiteiten geldt dat zij zich  willen  onderscheiden op wetenschapsgebieden en daar een excellent aanbod  zullen creëren. De beweging en feitelijke activiteiten in  de hogescholen richten zich veel meer op het op orde brengen en houden van het bestaande aanbod.  Gezien het cruciale belang van het hoger beroepsonderwijs voor de Nederlandse economie kan en moet er echter ook daar iets nieuws geboden worden, waardoor het aanbod van het Nederlandse hoger onderwijs gevarieerder en sterker wordt.<span id="more-1150"></span><br />
De toegankelijkheid tot het hoger onderwijs in Nederland is groot en goed. Zo goed, dat er regelmatig twijfels ontstaan over de kwaliteit van de opleidingen. Een nieuwe hogeschool zal dus in ieder geval een onomstreden kwaliteit moeten bieden, terwijl de toegankelijkheid gewaarborgd moet blijven. Dat mag dan weer niet leiden tot een vergroting van het aantal ”pret”opleidingen, want die leveren geen toegevoegde waarde voor de huidige en toekomstige arbeidsmarkt. Waar heeft de samenleving eigenlijk wel behoefte aan?</p>
<p><strong>De filosofie</strong><br />
Onze samenleving heeft behoefte aan wereldburgers. Een nieuw aanbod in het  hoger onderwijs moet dan ook precies dat onderwijs verzorgen dat nodig is om iedere student met intelligentie en voldoende motivatie tot een zelfbewuste en autonome wereldburger te ontwikkelen, die met zijn competenties bijdraagt aan een stabiele en innovatieve positie van Nederland. Naast een veeleisend studieprogramma zal deze hogeschool ook  activiteiten ontwikkelen die een beroep doen op de sociaal-emotionele en creatieve  ontwikkeling van de student.  De zo noodzakelijke hogeschool zal de empathie en nieuwsgierigheid van ieder student naar de nabije én verre mens stimuleren. Deze hogeschool zal iedere student kennis laten maken met een breed spectrum van wetenschappelijke kennis en onderzoeksmethodologie.</p>
<p><strong>De positionering</strong><br />
De meeste hogescholen spelen een belangrijke regionale rol. Zij verbinden zich aan hun stad of regio en leiden daar hun speerpunten uit af. De nieuwste hogeschool doet dat niet. Deze hogeschool wil jonge mensen ontmoeten die zich niet gebonden weten aan de stad of regio waar zij geboren zijn. De hogeschool zoekt naar jonge mensen die nieuwsgierig zijn naar de mensen en samenlevingen die juist buiten hun gezichtveld liggen. Het is legitiem dat de meeste hogescholen zich sterk verbinden aan de ontwikkeling van de regionale economie, maar juist daardoor is er ruimte en behoefte aan een hogeschool die bovenregionaal en supranationaal onderwijs en onderzoek verzorgt.</p>
<p><strong>Wat biedt die hele goede hogeschool aan?</strong><br />
Deze nieuwe hogeschool biedt allereerst opleidingen die gebaseerd moeten zijn op een vernieuwende “wereldburgeraanpak”. Zo zien we dat de lerarenopleidingen in Nederland behoefte hebben aan een meer diverse populatie met kennis van en begrip voor alle bevolkingsgroepen. Een aanvulling  van de bestaande docentenpopulatie met internationaal georiënteerde burgers zou in dit domein zeer welkom zijn. Daarnaast vraagt de Nederlandse economie om meer kennis van en inzicht in de economische ontwikkelingen in andere werelddelen. Ook hier zou een verbreding als geroepen komen. Als de ontwikkeling naar een nieuw hogeschoolconcept hier begint hebben we al een goede basis zijn voor een gestage uitbreiding in de toekomst.<br />
Het vergezicht is een  hogeschool die vier brede bacheloropleidingen aanbiedt. De student kan een bachelorsdiploma halen in Culture and Society, Economy and Society, Health and Technology of Science and Technology. Van alle studenten wordt verwacht dat zij aansluitend een masteropleiding zullen volgen. De masteropleidingen zijn  verdiepend in een beroepsdomein. De hogeschool biedt voor iedere track minimaal vijf beroepsgerichte masteropleidingen aan met een verdieping in de specifieke beroepskennis en –vaardigheden. De hogeschool stimuleert dat veel master abituriënten een promotie als een zeer waardevolle aanvulling zullen zien. Met deze opbouw van  bachelor, master en promotie fase bewerkstelligt de hogeschool dat iedere bachelor een goed inzicht krijgt in het domein van studie.  De brede bachelor biedt de studenten de kans om zich te ontwikkelen en in een later stadium pas een definitieve beroepskeuze te maken. Daarmee voorkom je het fenomeen van switchen, dat nu een grote last vormt voor het hoger onderwijs en voor de studenten zelf. Door de lerarenopleidingen breder en dieper te positioneren zullen meer studenten op enig moment daarvoor kiezen, zoals we nu zien in de universitaire opleidingen.</p>
<p><strong>De bacheloropleiding</strong><br />
De bacheloropleiding zal een belangrijke bijdrage leveren aan de brede internationale vorming van de studenten. Een student moet rekenen op een studieweek van 45 tot 50 uur. Daarin zal hij veel wetenschappelijke literatuur bestuderen. Om de nieuwe kennis te integreren in de reeds opgebouwde kennis en inzichten zal de student zeer regelmatig een artikel moeten schrijven over het onderwerp van die studieperiode. Alle bachelorstudenten zullen in het eerste en tweede studie jaar de vakken wiskunde en statistiek moeten volgen. Voor alle bacheloropleidingen geldt dat veel onderwijs in het Engels gedoceerd zal worden. De vier bacheloropleidingen zijn vierjarig voor havisten en mbo’ers en driejarig voor vwo’ers. Iedere bachelor student gaat tijdens het derde jaar zes maanden in het buitenland studeren. De hogeschool kent daartoe een netwerk van bevriende universiteiten in alle delen van de wereld. De student behaalt daar 30 studiepunten. Een student die kiest voor een bepaald land heeft altijd met succes twee jaar de betreffende taal geleerd.</p>
<p><strong>De masteropleiding</strong><br />
De hogeschool biedt vele masteropleidingen aan. De masterprogramma’s duren één, anderhalf of twee jaar, afhankelijk van het beroepsprofiel en de competenties die daarvoor nodig zijn. Dus dan ben je pas na de master werkelijk fysiotherapeut, verpleegkundige, accountant, sportleraar, maatschappelijk werker, leraar basisonderwijs of werktuigbouwkundige en niet al na de bachelor. De huidige leraar basisonderwijs heeft na de havo, vwo of het mbo vier jaar aan de Pabo gestudeerd. De praktische beroepsvaardigheden stonden voorop. Maar de leraar basisonderwijs van deze excellente hogeschool heeft zich eerst in zijn bachelorfase veel breder georiënteerd op bijvoorbeeld het volledige terrein van Science and Technology, heeft internationale ervaring opgedaan, heeft aanzienlijk meer geoefend in de Engelse of een andere taal, heeft een grotere uitdrukkingsvaardigheid en een groter kritisch en conceptueel vermogen ontwikkeld, en heeft vervolgens de master leraar basisonderwijs gevolgd, waardoor hij beschikt over meer maatschappelijke kennis van de achtergronden van zijn leerlingen. En ditzelfde geldt voor de accountant, de fysiotherapeut, de commercieel econoom en de maatschappelijk werker: het geldt dus voor alle abituriënten van deze hogeschool. Zijn de abituriënten van de meest grote hogescholen redelijke getrainde uitvoerders van hun professie, de abituriënten van deze hogeschool zijn de denkende, kritische en sterk reflectieve professionals die de hoogste banen in ieder bedrijf of overheid kunnen ambiëren. Ze zijn aanzienlijk beter toegerust om autonoom te kunnen functioneren, leiding te geven aan grote groepen professionals en een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het beroep. Bovendien zijn zij nieuwsgierig gemaakt naar de ontwikkelingen op hun vakgebied en daardoor meer geneigd om te blijven  leren en de wetenschappelijke reflectie op de ontwikkeling van een beroep of kennisterrein vast te leggen in een promotie.</p>
<p><strong>De toelating<br />
</strong>Iedere student moet een voldoende vooropleiding hebben en een hoge motivatie. Als de student een vwo-diploma heeft dan is de student zonder meer toelaatbaar. In principe kan de student hetzelfde profiel kiezen als op het vwo. Een student kan ook een ander profiel kiezen, maar dan moet hij een aanvullend programma voor deficiënties volgen. Voor de havist geldt eenzelfde regeling met dien verstande dat de havostudent alleen toegang krijgt als hij gemiddeld een 7,5 of hoger op zijn eindlijst heeft. Ook mbo’ers hebben toegang tot het vierjarig programma. Zij moeten minimaal een acht gemiddeld op hun eindlijst hebben en een aanbevelingsbrief van hun belangrijkste docenten waarin vermeld wordt dat het om een excellente student gaat. Buitenlandse studenten zullen op een overeenkomstige wijze behandeld worden. Alle studenten schrijven tevoren een motivatiebrief en zij krijgen een gesprek met een docent van de hogeschool. De docent kan op grond van de motivatiebrief en/of  het gesprek de student afwijzen.</p>
<p><strong>Tot slot<br />
</strong>Onze excellente hogeschool moet iets geheel nieuws brengen en moet de variëteit van ons hoger onderwijs en onderzoek groter maken: dat is de drijfveer achter dit perspectief. Het is in elk opzicht geheel vernieuwend. Deze hogeschool is een intellectuele vrijplaats geworden. Noch de bestaande Nederlandse hogescholen noch de universiteiten komen met hun profiel in de buurt van deze hogeschool. Misschien lijkt het liberal arts onderwijs van de university colleges er nog het meest op. Maar met de vier profielen van deze hogeschool en de verdiepende master programma’s gericht op beroepen kent de hogeschool kwalitatief onvergelijkbaar betere voorwaarden om een Europees succes te worden. Dit concept stelt natuurlijk veel en zware eisen aan het personeelsbeleid: docenten in de bacheloropleiding moeten zelf minstens een master hebben, in de masteropleiding een promotie, in alle gevallen onderzoekservaring en daarnaast bij voorkeur vreemde talen beheersen. Daarbij zullen native speakers van het Hindi, Mandarijn, Arabisch, Engels en Spaans aantrekkelijk zijn voor deze hogeschool. De rector zal zelf uit de wereld van de wetenschap moeten komen en eerder een primus inter pares moeten zijn dan een manager. Daarnaast is het de vraag of de heffing van het gebruikelijke collegegeld wel volstaat voor deze hogeschool. Een hoger collegegeld zal voor de talenten die we juist binnen willen hebben wellicht een belemmering zijn en een verdergaande segregatie in het onderwijs is niet gewenst. Er zullen dus fondsen moeten worden opgericht om iedereen een kans te bieden. Maar ondanks die drempels zal deze nieuwe hogeschool   velen in Europa en daarbuiten  aanspreken. Er gaat een grote wervende kracht van uit voor Nederland als land van diversiteit, kennis, innovatie, handelsgeest, wetenschap en intellectuele rijkdom.</p>
<p>Dit artikel is geschreven door Ankie Verlaan en Pim Breebaart en gepubliceerd in het tijdschrift Cascade van december 2011</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1150&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1150</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De goudmijn net onder de oppervlakte</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1148</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1148#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 11 Dec 2011 18:40:13 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1148</guid>
		<description><![CDATA[Wat is het hoogste doel van veel immigranten? Het zoeken naar welvaart, een beter leven en persoonlijk geluk. Dat wordt het sterkst zichtbaar in de wens om de eigen kinderen een goede opleiding te laten volgen, want als er één ding is dat migranten in de nieuwe samenleving willen dan is het dat hun kinderen [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Wat is het hoogste doel van veel immigranten? Het zoeken naar welvaart,  een beter leven en persoonlijk geluk. Dat wordt het sterkst zichtbaar in de wens om de eigen kinderen een goede opleiding te laten volgen, want als er één ding is dat migranten in de nieuwe samenleving willen dan is het dat hun kinderen werk op niveau verrichten, gerespecteerde burgers worden en een gezin kunnen stichten met veel kansen voor het nageslacht. Dat gaat niet vanzelf. In de hele wereld moeten de meeste migranten er hard voor ploeteren en succes is niet verzekerd. Het lukte Thomas Jefferson en Barack Obama, migrantenkinderen, om president van de VS te worden. Maar voor de overgrote meerderheid van de migrantenkinderen geldt dat zij tijdens hun jeugd een achterstand oplopen die ze gedurende hun leven niet meer in kunnen halen.<span id="more-1148"></span></p>
<p>James Samuel Coleman en Pierre Bourdieu zijn de twee belangrijkste sociale wetenschappers die ons meer inzicht hebben gegeven in de kloof in onderwijsprestaties. In vervolg op hun ideeën over sociaal kapitaal hebben vele duizenden sociale wetenschappers deelstudies verricht. De laatste veertig jaar hebben vooral Amerikaanse wetenschappers daar aan bijgedragen. Dat is te begrijpen. De VS zijn met 350 miljoen zielen een groot land. Het is tevens het grootste immigratieland. En zij hebben veel nieuwsgierige wetenschappers die kennis en inzicht over de onderwijsprestaties van migrantenkinderen genereren. Daardoor weten we wel veel meer van de oorzaken van het ontstaan van de grote kloof in onderwijsprestaties, maar dat betekent nog niet dat de kloof tussen de kansrijke en kansarme jeugd kleiner is geworden.</p>
<p>De doelen van de onderwijspolitiek van conservatieve en progressieve politici zijn vrijwel gelijk. Bijna alle politici geloven dat het opleidingsniveau van de bevolking één van de meest bepalende factoren voor de lange termijn ontwikkeling van onze welvaart is. Daarom willen regeringen in de hele wereld het opleidingspeil verhogen. Er zijn wel verschillende aanpakken, maar deze lopen vaak dwars door de politieke ordening heen. Zeker als het om de pedagogische aanpak gaat. Hoogstens zou je kunnen constateren dat de conservatieve stromingen meer vertrouwen op private financiering en scholen en de progressieve stromingen op publieke financiering en scholen.  </p>
<p>De grootste opgave van ruim honderd jaar geleden was om ieder kind te leren lezen, schrijven en rekenen. De basisschool werd verplicht gesteld. Na de Tweede Wereldoorlog moesten alle kinderen op grote schaal naar het secundair onderwijs. Dat onderwijs moest zodanig vorm gegeven worden dat er voor ieder talent een aanbod was. Het bood door historisch gegroeide omstandigheden een allegaartje van algemeen vormende en beroepsgerichte opleidingen. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw worstelt de onderwijspolitiek vooral met de toename van de studenten in het hoger onderwijs. Grote aantallen studenten willen hoger onderwijs volgen. De arbeidsmarkt vraagt ook om veel meer hoger opgeleiden. Dit hoger onderwijs voor velen moet variëteit aan niveaus kennen in het verlengde van de niveaus van het secundair onderwijs en met als randvoorwaarden dat het voor velen toegankelijk moet zijn tegen een voor de samenleving en individu betaalbare prijs. </p>
<p>Zowel de invoering van de algemene leerplicht tot twaalf jaar als later de verhoging tot zestien jaar kenden voor- en tegenstanders. De leerplichtwet van 1900 werd in Nederland met één stem verschil in het parlement aangenomen. En dan nog met het compromis dat meisjes thuis mochten blijven als het huishouden dat vroeg en dat op het platteland de boer zijn zoon op de boerderij kon laten werken in plaats van op school te leren lezen, schrijven en rekenen. De tegenstanders geloofden niet dat het goed was dat ieder kind kon lezen en schrijven of ze vonden dat ouders zelf mochten bepalen of hun kind naar school zou moeten gaan. Zeker voor het christelijke volksdeel was de autonomie van de familie heilig. En daarom waren ze tegen een leerplicht voor zes tot twaalf jarigen. In 1968 wordt de wet op het voortgezet onderwijs ingevoerd en in 1969 wordt de leerplicht tot zestien jaar uitgebreid. De belangrijkste woordvoerder van de tegenstanders was de christelijke politicus Roosjes. Hij noemde de wet van minister Cals gekscherend een Mammoetwet omdat daarmee al het middelbaar onderwijs onder één wet kwam te vallen en werd gestroomlijnd in vier hoofdpaden. Van ieder kind werd verwacht dat het tot zijn zestiende jaar naar de middelbare school moest. Hoewel duidelijk minder dan in 1900 waren er ook toen twijfels over het idee dat  alle kinderen middelbaar opgeleid moesten worden en ongeloof in de mogelijkheid dat alle kinderen dat zouden kunnen. Zien we nu iets vergelijkbaars? We willen meer kinderen hoger onderwijs laten volgen. Officieel is de doelstelling dat 50% van de jeugd een diploma in het hoger onderwijs haalt. Maar er is ook twijfel of een dergelijk omvang van de jeugd dat wel aankan. Er gaan regelmatig stemmen op om de doelstelling van 50% hoger opgeleiden te laten varen. Is dit wezenlijk anders dan het verzet tegen de invoering van de leerplicht tot twaalf jaar of later de twijfel over de uitbreiding tot zestien jaar? </p>
<p>Laten we ons leiden door optimisme over de mogelijkheden van de jeugd en hun potentie om het beter te doen dan hun ouders? Of laten we ons eigen pessimisme over de toekomst overheersen? Willen we niet geloven dat onze jeugd meer kan leren dan de ouderen hebben gedaan? Willen we geloven dat de ontwikkeling van onze intelligentie- en vaardigheidsniveaus een maximum heeft bereikt en daar moeten we het mee doen ? Waarom nog veel meer investeren in kinderen en studenten als er toch niet meer inzit? Zowel het optimisme als het pessimisme zijn sterk aanwezig en bepalen het zicht op de realiteit van een uitbreiding van het hoger onderwijs. En natuurlijk zijn er heel veel mengvormen. </p>
<p>Uit het empirisch onderzoek dat in het vervolg van Coleman en Bourdieu in de hele wereld plaatsvond is duidelijk geworden dat de sociale factoren die samenhangen met de economische positie van het gezin in de samenleving zeer bepalend zijn. Ieder kind dat geboren wordt in een gezin met twee hoog opgeleide ouders heeft een voorsprong die elke dag een stukje groeit. En hoog opgeleide ouders hebben bijna altijd een hoog gezinsinkomen. En ook dat helpt. Vanaf de eerste schooldag zal de school de verschillen alleen maar toe doen nemen. Iedere schooldag zal het kind dat met achterstand aan de school begon ervaren dat deze toeneemt, het gaat langzaam maar gestaag. En op een zeker moment maken we in het onderwijs tracks, afzonderlijke leerwegen, om de homogeniteit van het leerproces in de klas of groep weer te herstellen. Een op zich erg verstandige want efficiënte maatregel. In bijna alle landen zullen de kinderen een verder gaande algemeen vormende opleiding volgen dan wel een beroepsopleiding. Op diverse niveaus. En op dat moment is de voorsprong van de een op de ander geïnstitutionaliseerd in het hele systeem. </p>
<p>De migrantenkinderen bevolken op grote schaal de slechtste basisscholen met matig presterende leraren. Dat is een gegeven dat het onderwijs van heel veel westerse landen kenmerkt. En bij de grote splitsing in algemeen vormend of beroepsonderwijs zijn de migrantenkinderen sterk oververtegenwoordigd in het op beroepsvaardigheden gerichte onderwijs. En dus sorteren ze daarmee op grote schaal voor op de lager betaalde functies. De Amerikaanse onderzoeker Samuel Lucas  heeft daar uitstekend empirisch onderzoek naar gedaan, zie daarvoor zijn boek Tracking Inequality: stratification and mobility in American high schools (1999). Er gebeurt nou precies niet wat de migranten wensten, namelijk dat hun kinderen de beter betaalde banen verwerven en gerespecteerde burgers worden. Ondanks dat er heel wat individuen door heel hard leren en werken aan dit patroon ontsnappen en hun kinderen tot grote hoogte stimuleren, geldt voor de meerderheid dat dit hen niet lukt. Hoe zouden ze met hun beperkte netwerken en ervaringen en een te lage opleiding hun kinderen kunnen begeleiden naar een goede maatschappelijke positie? Het is interessant dat Lucas onderzocht heeft hoe de in de zeventiger jaren van de vorige eeuw doorgevoerde grote keuzevrijheid binnen de high schools gebruikt is door de bottomhalf van de bevolking. Om het kort samen te vatten: kon men daarvoor de leraar de schuld geven dat achterstandskinderen in de minst kansrijke onderwijstrajecten terecht kwamen, de grotere keuzevrijheden leidden eens te meer tot tracks of courses die geen uitzicht boden op de beter betaalde banen. Ze liepen nu vast in de zelf veelvuldig gekozen opleidingen voor beroepsvaardigheden, meestal opleidingen met een versneld eindpunt en geen optie voor verdere studie op een hoger abstractieniveau. Kortom men merkte dat men in een doodlopende steeg zat als het al te laat was.  </p>
<p>Hier doet zich een interessant probleem voor. Is het voor het gemiddelde migranten kind een uitkomst dat er beroeps opleidingen zijn, dat deze een middelbare beroepsopleiding volgt in plaats van de havo, een associate degree in plaats van een vierjarige bachelor, een hogeschool in plaats van een universiteit? Het migrantenkind kan daarmee een keus voor een diploma maken dat binnen de directe mogelijkheden ligt. Of is dit onderdeel van de maatschappelijke geïnstitutionaliseerde vergroting van de gap tussen de kansarme en kansrijke kinderen. Het eerste wordt gehoopt, het laatste is realiteit als we naar de latere inkomensverschillen kijken. Het aantrekkelijke van alle beroepsopleidingen – vmbo, mbo en hbo, kort of lang &#8211; is dat bij de start al erg duidelijk is waar het eindpunt ligt en wat de beroepsperspectieven zijn. Je leert geconcentreerd voor een bepaald doel dat naar alle waarschijnlijkheid leidt tot een tevoren kenbare baan. Het grote nadeel van alle beroepsopleidingen is de fuikwerking in vaardigheidsontwikkeling, het gebrek aan ontwikkeling in kritisch en conceptueel vermogen en daarmee de vaak eindige leerweg. Op een gegeven moment ben je een goede lasser of fysiotherapeut en dat is het. Kiezen voor een beroepsgerichte opleiding impliceert bijna altijd een kortere en eindige leerweg. We willen dat iedereen in het onderwijs gelijke kansen krijgt, maar de bij het begin aanwezige verschillen worden door het onderwijs steeds verder uitvergroot. En op enig moment worden de talenten verdeeld over beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs. Dat proces pakt voor de verschillende bevolkingsgroepen verschillend uit. Heel veel kinderen uit de zwarte en Spaanssprekende gezinnen in de VS bevolken de kortere beroepsopleidingen of zijn drop out. De liberal arts colleges worden overbevolkt door de kinderen uit de hogere middenklasse en de hogere klasse. En hetzelfde zie je in Nederland. Het vmbo en mbo kennen een grote oververtegenwoordiging van migrantenkinderen. Vele individuele uitzonderingen daargelaten. Je kunt ook zeggen, er blijkt altijd in individuele gevallen met hard studeren en werken een weg omhoog. Maar wel met een veel grotere inspanning. Het gaat niet zomaar. Het lijkt op de marathon. Degene die na vier uur de finish bereikt heeft een veel grotere lichamelijke inspanning moeten leveren dan de winnaar die in ruim twee uur finisht. </p>
<p>De discussie over de keuze voor beroeps of algemeen vormend onderwijs is niet nieuw. Meer dan honderd jaar geleden schreven twee zwarte intellectuelen in de VS al een felle polemiek over dit onderwerp. In de eerste jaren na de eeuwwisseling schreef Booker T. Washington in zijn Up from Slavery dat de zwarte bevolking zich vaardig moest tonen in het bouwen van huizen en wagens. Dat was de bevrijding uit de slavernij. W.E.B. Du Bois, de eerste zwarte promovendus van Harvard, bracht daar met felheid tegenin dat de zwarte bevolking geen genoegen moest nemen met op praktische vaardigheden gerichte beroepsopleidingen, maar moest participeren in de liberal arts colleges. Dat zou het snelst leiden tot gelijke posities. De discussie woedt nog steeds. De onderwijsfaculteit van Harvard publiceerde begin 2011 een rapport over de nieuwe werkgelegenheid van de komende tien jaar. Pathways to Prosperity, meeting the challenge of preparing young Americans for the 21st century, Harvard Graduate School in Education, february 2011. Als ik het rapport heel kort samenvat dan is er de aanbeveling dat iedereen meer onderwijs moet volgen dan de highschool, en dat de combinatie van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de potentie van de kinderen van de bottomhalf leidt tot de conclusie dat velen uit die bottomhalf na de highschool enige jaren beroepsonderwijs dienen te volgen. Het idee dat iedereen naar de colleges in het hoger onderwijs gaat wordt gekritiseerd. President Obama en minister Duncan omarmden dit rapport. Obama liet in maart 2011 bij een bezoek aan een community college in Virginia weten hoe belangrijk het is dat de bevolking uit achterstandsgezinnen zich schoolt in beroepsvaardigheden. En natuurlijk kreeg hij steun van conservatieve en progressieve huize. Maar er was ook veel kritiek te horen. De onderwijscolumnist van The American Spectator, een van de meest gerespecteerde conservatieve tijdschriften van de VS, liet duidelijk horen dat deze ambitie te laag is, de zwarte bevolking moet ook naar de liberal arts colleges, want met alleen een beroepsopleiding ligt onwetendheid op de loer en de gevangenis in het verschiet. Toe maar! De conservatieve columnist David Brooks heeft in de New York Times al vaker zijn grote bezorgdheid over de achterblijvende onderwijsprestaties laten horen. En ook aan linker zijde is er groeiende kritiek op de kleine stapjes die Obama en Duncan zetten. Linda Darling-Hammond is dean van de lerarenopleidingen van Stanford University en een gezaghebbende Amerikaanse onderwijs wetenschapper. Zij is ook een gerespecteerd democrate, maar zij is in toenemende mate kritisch op het huidige onderwijs beleid. Op het internet zijn genoeg toespraken uit dit kalenderjaar van haar te vinden om dat te staven. En progressieve Amerikaanse tijdschriften publiceerden afgelopen jaar kritische artikelen en zijn teleurgesteld over het uitblijven van onderwijs successen voor de kinderen uit de achterstandsgezinnen. Ook daar kun je lezen dat de door Obama zo sterk bepleitte toegang tot beroepsopleidingen in de community colleges niet altijd tot de verbeelding spreekt en objectief leidt tot een vergroting van de Education Gap en een vergroting van de later inkomensverschillen tussen de kansrijken en kansarmen. De verschillen worden niet kleiner. En aan de progressieve kant is men geschokt dat het op dit moment steeds moeilijker lijkt te worden voor achterstandskinderen, dus zwarte of hispanic studenten, om de publiek bekostigde universities binnen te komen. Paradoxaal genoeg zijn het nu juist de duurdere private universities die op zoek naar talent het aandeel studenten van Afro-Amerikaanse en Latijns-Amerikaanse origine hebben laten groeien. </p>
<p>Europa heeft vergeleken met de VS kleinere aantallen achterstandsgezinnen. Maar toch gaat het ook hier vaak om 10% tot in sommige grote Europese stadsregio’s 50% van alle kinderen. Om de doelstelling van een hoger opgeleide bevolking te realiseren moet er dus veel aandacht zijn voor deze groep. Als deze groep geen betere onderwijsprestaties haalt dan vervliegt voor de samenleving de toekomstige welvaartsgroei. Maar gemakkelijk is dat allerminst. We verwerven steeds meer inzicht in het ontstaan van onderwijsverschillen, maar om er iets aan te doen blijkt erg complex. En daarom zou het echt al een prestatie van formaat zijn als bijna alle kinderen uit de achterstandsgezinnen een mbo niveau 3 of 4 diploma halen. Een associate degree is nog mooier. Maar als we de kloof in onderwijsprestaties tussen de autochtone en de allochtone bevolking willen verkleinen dan past het om veel allochtone jeugd een havo of vwo aan te bevelen, hard te studeren, ouders die hun kinderen dagelijks steunen, kinderen die de geneugten van de grote stad laten liggen ten gunste van schoolprestaties, bijlessen, en dan naar hogescholen maar vooral op grote schaal naar de universiteit. En blijven studeren tot en met de promotie! Kan dat? Zeker kan dat. Als kinderen van de tweede of derde generatie migranten de brains hebben, mogen ze niet aarzelen. Span je in tot het uiterste, de beloning zal er zijn, voor jou en je nageslacht. En hoewel op dit moment het statistisch gemiddelde voor grote groepen allochtonen weinig hoopvol is, blijft het ook een feit dat vele duizenden door hard te studeren een universitair diploma halen en maatschappelijk veel verder reiken dan hun ouders. Zij krijgen de veel betere betaalde banen en zij kunnen hun kinderen ook weer nieuwe kansen geven. Ook dat kan in Nederland. Je ziet het om je heen gebeuren.</p>
<p>Het onderwijs vergroot de verschillen die er bij het begin al zijn. Daarom is het voor ouders van het allergrootste belang om in dat begin te investeren. En dat betekent dat je tijd neemt voor je kinderen, elke dag. De eerste zeven jaar kan enorm helpen. Het geeft jouw kinderen precies de goede zet. Natuurlijk kan dat met lezen, schrijven en rekensommetjes. Thuis, elke dag. Maar het moet aangevuld worden met de ontwikkelingsmogelijkheden van een preschool voor een tot vier jarigen met goed opgeleide docenten en een effectieve schoolorganisatie. En dat geldt natuurlijk ook voor de basisschool. Ga gewoon uit je eigen wijk weg als je de kwaliteit te laag vindt. Dat is dan het allerbeste. Zoek voor je eigen kinderen een optimale school. Zoek naar de sterke docenten en een doelgerichte schoolorganisatie. Het helpt het van nature aanwezige talent optimaal te ontwikkelen en het helpt het kind op weg naar een meer succesvol leven. En als het om het hoger onderwijs gaat, kies liever voor de Avans Hogeschool dan voor de Hogeschool van Amsterdam, kies liever voor de London School of Economics dan voor de Erasmus Universiteit. Verhuis naar de wijk met de betere (hoge)school of laat jouw zoon of dochter op achttien jarige leeftijd op kamers gaan wonen in de omgeving van die goede onderwijsinstelling. Daarmee wordt de droom van de migrant werkelijkheid.</p>
<p>Was de economische ontwikkeling tussen 1850 en 1950 ooit mogelijk geweest zonder invoering van de leerplicht tot twaalf jaar? Was de enorme vergroting van de welvaart vanaf 1950 ooit mogelijk geweest zonder een verhoging van de leerplicht naar zestien jaar? En is het nu mogelijk om de economische groei in een technologisch hoog ontwikkelde samenleving verder te vergroten als minder dan 50% van de 25 tot 34 jarigen een hoger onderwijs diploma op zak heeft? De charme van het mooie ronde getal zegt natuurlijk niets. Het is van het grootste belang om ieder die de talenten heeft te stimuleren om door te studeren tot en met de hogeschool of universiteit. En als de technologische en economische ontwikkeling doorzetten dan zal meer dan de helft van de nieuwe werkgelegenheid in Europa een hogere opleiding vergen. En dan is 50% een goed begin maar niet voldoende. De tegenstanders van de leerplicht tot twaalf jaar hebben volledig ongelijk gekregen. De tegenstanders van de uitbreiding van de leerplicht tot zestien jaar hebben ook volledig ongelijk gekregen. De moderne geschiedenis heeft hun toenmalige argumentatie bij het oud vuil gezet. Nu staat de samenleving voor de uitdaging om iedereen een post secundaire opleiding mee te geven en velen een hogere opleiding te laten volgen. Ik denk dat ook nu de twijfelaars over de 50% hoger opgeleiden het onderspit gaan delven. Het is mooi als ieder kind minmaal mbo 3 of 4 haalt, het is nog beter als in 2020 50% van de 25 – 34 jarigen minimaal een hoger onderwijs diploma heeft. En daarbij kunnen en zullen vooral de migrantenkinderen het verschil maken! Zij vormen voor een samenleving die gebaseerd is op kennis een goudmijn die net onder de oppervlakte ligt. De samenleving moet hen kansen bieden, maar de migrantenkinderen moeten de kansen willen grijpen door prioriteit te geven aan hard studeren.</p>
<p>Dit artikel is gepubliceerd in het tijdschrift Cascade van december 2011</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1148&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1148</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Tien stellingen over de landelijke toetsbank voor lerarenopleidingen</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1146</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1146#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 11 Dec 2011 18:39:07 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1146</guid>
		<description><![CDATA[Het kabinet juicht de verbeterslag bij de lerarenopleidingen toe. De nieuwe kennisbasis en daaruit voortkomende landelijke toetsen spreken de bewindslieden aan. Halbe Zijlstra zei tijdens de werkconferentie &#8216;De toets doorstaan&#8217; bij de Hogeschool Utrecht, dat hij enthousiast is over de invoering van landelijke kennisbases en -toetsen voor lerarenopleidingen. Dit geeft hem immers een concreet handvat [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Het kabinet juicht de verbeterslag bij de lerarenopleidingen toe. De nieuwe kennisbasis en daaruit voortkomende landelijke toetsen spreken de bewindslieden aan. Halbe Zijlstra zei tijdens de werkconferentie &#8216;De toets doorstaan&#8217; bij de Hogeschool Utrecht, dat hij enthousiast is over de invoering van landelijke kennisbases en -toetsen voor lerarenopleidingen. Dit geeft hem immers een concreet handvat om zijn voorzet bij &#8216;centrale examinering&#8217; in het HBO om te smeden naar een uitvoerbaar en niet te bureaucratisch geheel.&#8221;Het balletje is hard aan het rollen en het rolt in de goede richting,&#8221; zei Zijlstra over deze ontwikkeling in het veld. Pim Breebaart schreef ten behoeve van de discussie voor de werkconferentie tien stellingen op.<span id="more-1146"></span></p>
<p>(1)<br />
‘Veel vakkennis is nodig. Maar helpen vijfduizend meerkeuzevragen de docent bij het beter aanvoelen van de leerling en de groep? Een kind moet leren de werkelijkheid te doorzien en kritisch te beschouwen. Daar is meer voor nodig dan dit enigszins bureaucratische systeem.’</p>
<p>(2)<br />
‘Lerarenopleidingen en onderwijs zijn geen toverdoos. Hier heb je studenten, daar heb je een vat met kennis, hupsakee dat gieten we erin en je hebt goede docenten. En in het verlengde krijg je goed lerende leerlingen en een soepel draaiende kenniseconomie. Zo’n simpel wereldbeeld vraagt om teleurstellingen.’</p>
<p>(3)<br />
‘Een kennisinfuus volstaat niet. Daarmee alleen brengen we kinderen en de samenleving niet naar een hoger plan. Dat eenzijdig hameren op kennis is een volkswijsheid over onderwijs uit de 19e eeuw. Instrumenteel hanteren van kennisbases en –toetsen leidt niet tot het gewenste resultaat. Een goede kennisbasis in combinatie met de ontwikkeling van de non-cognitieve vermogens levert krachtige resultaatgerichte scholen op.’</p>
<p>(4)<br />
‘De start deugt niet. We vragen jongelui die blij waren dat ze op de havo en mbo rekenen en wiskunde konden laten vallen om kinderen enthousiast te leren rekenen. En dat geldt ook voor taal. Als je denkt dat een kennisbasis de oplossing is, span je het paard achter de wagen. Nederland heeft nodig dat de slimste kinderen leraar worden en de iets mindere talenten bij banken en bedrijfsleven gaan werken.’</p>
<p>(5)<br />
‘Over de vakkennis van een leraar mag geen twijfel bestaan. Het is een voorwaarde voor inspireren en inzicht bijbrengen. Maar politici die in hun enthousiasme denken dat ze hiermee de hoofdprijs binnenhalen, komen van een koude kermis thuis.’</p>
<p>(6)<br />
‘Docenten praten zichzelf in de put. Ten onrechte. Het is makkelijker een kunstmaan naar de maan te sturen, dan vorm te geven aan goed onderwijs of een autistisch kind over hindernissen heen te helpen of achterstanden uit de vroege opvoeding weg te werken. Docenten mogen erg trots zijn als het ze lukt. Net als op hun vakkennis.’</p>
<p>(7)<br />
‘Leren hoort bij het leven. Je mag het niet geïsoleerd beschouwen. Toch dreigt dat. De jaren voor de school en de uren buiten de school zijn zeker zo bepalend. Laat de politiek zich daar druk over maken. En laat de docenten, naast hun kennisbasis, ook bezig zijn met maatschappelijke verbanden.’</p>
<p>(8)<br />
‘Nederland is geen eiland. We vormen hooguit 0,25 procent van de wereldbevolking. Heel de wereld worstelt met hetzelfde probleem. Waarom dan hier het wiel uitvinden? Waarom kennisbases en –toetsen die de onderwijsminister van Singapore afwijst? Waarom toetsen die alleen nationaal gevalideerd zijn? Ik pleit voor meer wetenschappelijk onderzoek en veel meer internationale samenwerking.’</p>
<p>(9)<br />
‘Zonder passie geen succes. Daar komt het simpelweg op neer. Roeping, lol, beroepstrots. Als je in staat bent dat een plek te geven in het proces rond kennisbases en –borging, ben je spekkoper. Passieloze mensen brengen het vak niet vooruit.’</p>
<p>(10)<br />
‘Neem de Franse keuken. Daar gaat het niet om het managent van een bedrijf, daar staan de beste professionals met plezier in de keuken. Ze willen aan het fornuis het verschil maken, laten zien wat ze in hun mars hebben. Competitie en samenwerking gaan hand in hand. Dat heeft een opkrikkend effect op de hele beroepsgroep. Misschien dat de meetlat van landelijke toetsen gezonde concurrentiekracht losmaakt.’</p>
<p>Deze stellingen zijn gepubliceerd in het decembernummer 2011 van Expertise, visieblad voor het hoger onderwijs</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1146&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1146</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Coreferaat over het Bekostigingsrecht</title>
		<link>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1142</link>
		<comments>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1142#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 28 Oct 2011 07:26:23 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Pim Breebaart</dc:creator>
				<category><![CDATA[artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1142</guid>
		<description><![CDATA[Als er een volgende minister van onderwijs wordt gezocht zou het goed zijn als de kandidaat eerst een examen aflegt bij Peter Kwikkers. Hij krijgt de opdracht om de Inleiding in het Bekostigingsrecht; Over verdeelmodellen, bezuinigingen en beleidsprikkels in het (hoger) onderwijs te bestuderen. Peter ondervraagt de kandidaat streng doch rechtvaardig. De kandidaat-minister moet tonen [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Als er een volgende minister van onderwijs wordt gezocht zou het goed zijn als de kandidaat eerst een examen aflegt bij Peter Kwikkers. Hij krijgt de opdracht om de <em>Inleiding in het Bekostigingsrecht; Over verdeelmodellen, bezuinigingen en beleidsprikkels in het (hoger) onderwijs</em> te bestuderen. Peter ondervraagt de kandidaat streng doch rechtvaardig. De kandidaat-minister moet tonen dat hij de stof kan reproduceren. En Peter onderzoekt met enige inzichtvragen of de stof wel echt begrepen is. Anders gaat er een berichtje naar de informateur dat deze kandidaat door de mand is gevallen. In een democratie wordt een kandidaat-minister anders dan een professional in opleiding geen examen afgenomen. Dat kan ook niet. Maar iedere kandidaat-minister zou door bestudering van de tekst van Peter veel leren voordat hij gaat regeren.<span id="more-1142"></span></p>
<p>Kwikkers heeft een doorwrochte analyse van de bekostiging van het hoger onderwijs in de laatste decennia gegeven. Hij ordent de achtereenvolgende beleidsstappen in de bekostiging en laat zien wat de effecten zijn geweest. Hij verbindt dit deskundig met de Europese wetgeving, kritiseert waar nodig bestuurders of politici en ontmaskert en passant deze en gene mythe. Ik wil op een paar onderdelen van zijn analyse ingaan.</p>
<p>Er is bij politici een sterk geloof in de economische waarde van onderwijs. Een hoger opleidingsniveau van de beroepsbevolking leidt tot grotere welvaart. En dit rechtvaardigt een grote bijdrage van de gemeenschap aan de kosten van het onderwijs. Immers als al die hoger opgeleiden een hoger inkomen gaan verdienen dan zal het nationaal inkomen ook stijgen. Niemand twijfelt aan het profijt voor de individuele student. Als de student een hoger diploma haalt, wordt zijn marktwaarde hoger en kan hij straks beter concurreren met anderen. In veel gevallen loont de individuele prestatie. De hoger opgeleide krijgt een hoger <em>life time</em> inkomen. Toch kan het economisch ook tegen zitten. Het gevolg kan zijn dat er, ook al is het maar tijdelijk, werkloosheid onder academici optreedt. Dit is actueel in een aantal Europese landen en in de VS. En dit roept verzet op bij jongeren die studeren en die verwachten dat zij straks gehonoreerd worden met een baan en inkomen. Toch geldt ook in slechte tijden dat het individu door een kwalitatief goede opleiding te volgen en hard te studeren zijn marktkansen vergroot. Maar loont het ook in dezelfde mate voor de samenleving? Er is geen direct verband tussen het nut voor het individu en de maatschappelijke opbrengst. Het zou kunnen dat de samenleving slechts partieel profiteert waar het individu het volle pond krijgt. De relatie is er wel maar wordt door heel veel andere factoren mede beïnvloed. In bepaalde periodes van de geschiedenis profiteerde de samenleving veel van een hoger opgeleide beroepsbevolking omdat op dat moment de ontwikkeling van de technologie dat vroeg. Maar in andere tijden kan de ontwikkeling van nieuwe technologie sommige werkzaamheden vereenvoudigen, zodat dan een toename van het opleidingsniveau niet direct adequaat is. Soms is juist het hogere opleidingsniveau de push voor nieuwe technologische ontwikkelingen. Dit type processen kan voor diverse bedrijfstakken op verschillende momenten optreden. De toegevoegde waarde van een hoger onderwijsdiploma voor het individu hoeft niet rechtevenredig congruent te zijn aan de toegevoegde waarde voor de samenleving. Dit laatste hangt van veel factoren af.</p>
<p>Er zijn drie factoren die een grote rol spelen als het gaat om een verdere verhoging van het nationale inkomen. In volgorde van belangrijkheid zijn dat: het menselijk kapitaal, de participatiegraad op de arbeidsmarkt en de productiviteit per gewerkt uur. De ontwikkeling van het menselijk kapitaal is de laatste decennia in heel veel landen van de wereld de belangrijkste factor voor de groei van de economische rijkdom geweest. Ook Nederland heeft grote stappen vooruit gemaakt. Vergelijk de beroepsbevolking van 1970 met 2010 en je ziet een duidelijke toename van het aantal jaren dat de jeugd naar school gaat. En het resultaat is dat de participatie in het middelbare onderwijs tot de hoogste van de wereld behoort. Ook het aantal hbo en wo diploma’s is sterk gegroeid.<a href="#_ftn1">[1]</a> Nederland behoort tot de subtop als het gaat om het aantal hoger opgeleiden. Als de jeugd zo lang en intensief (publiek bekostigd) onderwijs volgt is het ook belangrijk dat ze later participeert op de arbeidsmarkt. Hoe hoger de participatiegraad des te meer <em>return on investment</em> voor de overheidsfinanciering van het onderwijs. Het schiet natuurlijk niet echt op als jongeren zestien tot soms twintig jaar en meer onderwijs volgen en vervolgens hetzij tijdelijk werkeloos zijn dan wel structureel niet deelnemen aan het arbeidsproces. Dit laatste was met de vrouwen in Nederland heel lang het geval. Maar de laatste veertig jaar is de deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt sterk gegroeid. De hoog opgeleide vrouwen in Nederland werken nu bijna allemaal. Maar door de hoge deeltijdfactor zeker niet op het niveau van veel andere rijke landen.<a href="#_ftn2">[2]</a> Als we het alleen economisch bekijken dan zit hier een probleem voor de publieke bekostiging. Juist de groep die het beste en snelste studeert werkt straks veelal in deeltijd. De derde factor is de productiviteit per gewerkt uur. Nederland hoort tot de top als het gaat om productiviteit. Maar hier is wel een aantekening bij te maken. Het lijkt erop dat de productiviteitsgroei van de hele westerse wereld sterk is terug gelopen. En ondanks vele pogingen om dit te veranderen zijn de resultaten mager. Als het dus gaat om return on investment op de publieke bekostiging lijken een verhoging van het opleidingspeil van de beroepsbevolking, dus van de subtop naar de top, en ten tweede de participatiegraad van vrouwen in fulltime functies de meest zinvolle opties.</p>
<p>Als de aanwezige talenten onder de hele bevolking niet optimaal ontwikkeld worden en als vervolgens het door scholing opgebouwde kennisniveau van de bevolking niet volledig wordt benut dan zal dit tot gevolg hebben dat een deel van de potentiële welvaart vermorst wordt. En als de samenleving talenten niet volledig benut, dan zal de gemeenschap des te eerder de vraag stellen of de hoge kosten van goed (hoger) onderwijs nog publiek kunnen en/of moeten worden betaald? Kwikkers benoemt dit lastige pijnpunt regelmatig in zijn analyse. De meerderheid van de westerse politici streeft naar een verschuiving van publieke naar private financiering. Kwikkers lijkt daar niet op voorhand helemaal tegen te zijn, maar plaatst daarbij een aantal uiterst kritische kanttekeningen. Ik zou dat, aanvullend op zijn analyse, ook van een andere kant willen bekijken. Kwikkers beschrijft de ontwikkeling van de bekostiging van het (hoger) onderwijs van volledig publieke naar deels private bekostiging. De vraag is wat de drijfveren in onze samenleving zijn om dit te doen? En ten tweede is het de vraag wat het effect van deze verschuiving in bekostigingsbronnen is op de kwaliteit en kwantiteit van het (hoger) onderwijs. Om daar een antwoord op te geven wil ik eerst een andere ontwikkeling beschrijven. Ik heb dat nodig om straks tot een conclusie te komen. De laatste 40 jaar is in alle westerse landen de inkomensongelijkheid gegroeid. In de VS en Engeland sneller en meer dan in de Scandinavische landen en Japan. De VS kennen de grootste inkomensongelijkheid van de westerse wereld. En zij worden op de voet gevolgd door Engeland. Finland, Zweden en Japan staan aan de andere kant van het continuüm. Hoewel ook daar duidelijke inkomensverschillen zijn, is het Nationaal Inkomen toch meer gespreid. Nederland, Duitsland en Frankrijk zitten er tussen in. De laatste decennia kunnen we voor het eerst grote data bestanden uit de hele wereld aan elkaar koppelen. Daardoor is het mogelijk om vele data over gezondheid en ziekte, sociale stratificatie, onderwijs en criminaliteit dwars door de rijke landen heen zichtbaar te maken. Richard Wilkinson en Kate Pickett brachten heel veel data van de westerse landen bijeen en ordenden ze in relatie tot de mate van inkomensongelijkheid van die landen. Zij publiceerden hun uitkomsten in <em>The Spirit Level, Why more equal societies almost always do better</em><a href="#_ftn3"><em><strong>[3]</strong></em></a>. Uit de overzichten blijkt dat binnen een zekere bandbreedte vroegtijdige schooluitval, ongeletterdheid, sommige somatische ziekten, depressies en angstaanvallen, criminaliteit, het aantal gevangenen en ook de omvang van de sociale mobiliteit correleren met de mate van inkomensongelijkheid. Hoe groter de inkomensongelijkheid des te negatiever zijn de data voor de genoemde factoren. Maar er is meer. In een land met grote ongelijkheid is het armste deel van de bevolking er veel slechter aan toe dan hun lotgenoten in een meer gelijke samenleving, dat is begrijpelijk. Zie het verschil tussen de buitenwijken van de Amerikaanse grote steden en de buitenwijken van Amsterdam. In de Amerikaanse steden wonen veel mensen met weinig perspectieven voor hun kinderen. Een wereld van verschil in het voordeel van veel Europese grote steden. De documentaire ‘<em>Waiting for Superman</em>’  van Davis Guggenheim laat haarscherp zien hoe de VS ernstig in gebreke blijven in het ontwikkelen van hun jonge talenten. Maar het is ook zo dat zelfs de rijken van een zeer ongelijk land er objectief op een aantal belangrijke kenmerken slechter van af komen ten opzichte van de rijken in een land met minder inkomensverschillen. Als ik het op het onderwijs projecteer dan zal een land met grote inkomens verschillen, de VS, in ieder geval grote aantallen mensen met talenten in de kou laten staan: velen die geschikt zijn voor een goede basisschool, een uitdagende middelbare school en een excellente universiteit staan voor potdichte deuren. Niet alleen de betrokkenen zijn daardoor zwaar de dupe, maar de hele samenleving vermorst op grote schaal zijn talent. Wilkinson en Pickett laten aan de hand van diverse data zien dat bij sommige factoren ook de midden en hoge inkomens lijden onder de grote inkomensongelijkheid en het gebrek aan collectieve voorzieningen. Dat is het geval bij onderwijs en gezondheidszorg. De samenleving als geheel lijkt het door het grote verlies aan talenten minder goed te gaan doen. De VS vermorsen de meeste jeugdige talenten van de westerse wereld, aan het andere eind van het continuüm staan ook hier de Scandinavische landen. Zij blijken veel beter in staat om ieders talent een kans te geven in een goed functionerende onderwijssysteem voor iedereen. Finland voorop.</p>
<p>Een klein ter zijde is hier erg ter zake. Uit onderzoek van de Unicef over de toekomstverwachting van jongeren blijkt dat de jongeren in de westerse landen met grote inkomensongelijkheid de hoogste ambities ontwikkelen. <a href="#_ftn4">[4]</a> Dus de jongeren in de VS, arm of rijk, gevraagd naar hun ambities voor de toekomst, geven aan dat ze geen laag geschoold werk willen doen en daar erg op neerzien. Ze willen allemaal beroemd en rijk worden. De jongeren uit de samenlevingen met een grotere inkomensgelijkheid geven significant vaker als antwoord dat ze zich ook voor kunnen stellen in banen die minder vaardigheden en kennis vereisen. Blijkbaar leidt de grote inkomensongelijkheid ook tot een droomwereld van ambities, losgezongen van de eigen realiteit, aanbidding van de rijken en in het onderwijs wachten op de grote verlosser, <em>waiting for superman</em>. Wat een prachtige titel. Om het anders te zeggen, de grote inkomensongelijkheid veroorzaakt bij veel kinderen droombeelden die niet realistisch zijn en uiteindelijk alleen maar tot teleurstellingen en opgekropte woede zullen leiden. De samenleving organiseert daarmee zijn eigen afgang.</p>
<p>Er wordt in Nederland vaak negatief geschreven over de prestaties van ons onderwijs. Het is heel goed dat we scherp blijven, maar de cijfers tot nog toe laten zien dat Nederland bijna altijd goed scoort. Nederland is in veel opzichten een echte subtopper als het om de kwantiteit en kwaliteit van het (hoger) onderwijs gaat. Nederland staat in de statistieken bijna altijd dicht bij Frankrijk, Duitsland en België. Als Nederland tot de top vijf van de kenniseconomieën, wil gaan behoren dan vergt dat een gerichte en goed doordachte aanpak. We moeten heel precies weten waar we de extra bekostiging en energie aan gaan besteden. Als we dat niet doen dan lijkt het meer op Russisch roulette. De huidige politieke trend is om in te zetten op excellentie. Veel politici verwachten dat het beter presteren van de excellente talenten maakt dat de hele samenleving het beter gaat doen. Daarom geeft staatssecretaris Zijlstra extra bekostiging aan hogescholen en universiteiten die programma’s voor excellentie uitvoeren. Kwikkers kritiseert dat idee omdat daarmee doelen aan een bekostigingsysteem worden gekoppeld die je helemaal niet met bekostiging kan stimuleren. Ik ben ook kritisch op het verwachte succesverhaal over excellentie, maar om heel andere redenen.</p>
<p>De bekostiging van het (hoger) onderwijs zou zodanig moeten zijn dat de kwantiteit en kwaliteit optimaal ondersteunend is voor alle talenten die ontwikkeld kunnen worden. Uit de onderwijssociologie blijkt dat &#8211; na het aangeboren talent &#8211; het opleiding- en inkomensniveau van de ouders de meest bepalende factoren zijn voor succes in het onderwijs.<a href="#_ftn5">[5]</a> Als er voor kinderen uit de lagere inkomensgroepen veel glazen plafonds in stand worden gehouden dan zal de samenleving veel aanwezig talent niet ontwikkelen. Kinderen moeten overeenkomstig hun talenten en zonder extra barrières het opleidingsniveau van hun ouders voorbij kunnen streven. Sterker nog, het is een uitermate goede onderwijspolitiek om kinderen daartoe te stimuleren. Studeer hard, doe het beter dan je ouders, en word slimmer, dat is het devies. Maar dat moet ook kunnen. Er liggen op de leerweg van een kind uit de onderste 50% heel veel boobytraps. Als we die boobytraps niet opruimen dan zullen velen onderweg een te grote handicap krijgen en sneuvelen. De vraag is dus of de samenleving sociale stijging stimuleert of afremt. Een land waarin de sociale mobiliteit terugloopt zal ook de ontwikkeling van zijn menselijk kapitaal afgeremd zien worden. Het is dus van belang om te zien hoe de sociale mobiliteit zich de laatste decennia heeft ontwikkeld.</p>
<p>Jo Blanden, Paul Gregg and Stephen Machin werken aan de London School of Economics. Zij onderzochten de sociale mobiliteit van de westerse wereld. Hun rapport is uitgegeven onder de titel: <em>Intergenerational Mobility in Europe and North America.<a href="#_ftn6"><strong>[6]</strong></a></em> Uit dit onderzoek blijkt dat de sociale mobiliteit in de westerse geschiedenis lange tijd gestegen is. De kinderen uit de onderste 50% van de bevolking haalden hogere diploma’s dan hun ouders en waren in staat om door hard te werken op de maatschappelijke ladder opwaarts te klimmen. Dit is een dynamische kracht in de samenleving, want als er klimmers zijn dan zijn er ook dalers. Iedereen moet dus al van jongs af aan zijn best doen in het onderwijs om alle talenten te ontwikkelen. Uit dit onderzoek blijkt dat sinds 1970 de sociale mobiliteit hapert en daarna is gaan teruglopen. Dit geldt voor alle westerse landen, maar bij het ene sneller en meer dan bij het andere. In de VS en Engeland is de sociale mobiliteit het sterkst gedaald. Honderd jaar geleden studeerden en werkten vele Amerikaanse kinderen uit de onderste lagen van de bevolking zich uit hun armoe een weg omhoog naar een goed en rijk middenklasse bestaan. Van 1900 tot 1970 hadden de VS de grootste middenklasse van de wereld. De middenklasse gaf aan een groot deel, misschien wel 60%, van de Amerikaanse bevolking, ruimte om met hard werken een welvarend inkomen te verwerven. Daarmee kon een huis, garage, koelkast en twee auto’s gekocht worden en de twee kinderen konden naar een goede basisschool, <em>highschool</em> en universiteit. Maar dat is verleden tijd. Anno 2011 is het op grote schaal bijna onmogelijk om dit te herhalen. De sociale mobiliteit in de VS is gedaald. En net als bij de inkomensongelijkheid staat bij de sociale mobiliteit Finland gevolgd door de andere noordelijke landen aan de andere kant van het continuüm en staan Duitsland, Frankrijk en Nederland er opnieuw tussen in. Ook voor Nederland geldt dat de sociale mobiliteit gedaald is. Dus we zien twee op elkaar inspelende processen. De laatste decennia is de inkomensongelijkheid gegroeid en de sociale mobiliteit afgenomen. Om het anders te zeggen: het inkomensverschil tussen de onderste 50% en de bovenste 50% is toegenomen, het is voor kinderen uit de onderste 50% moeilijk om succesvol te zijn in het (hoger) onderwijs en daarmee neemt het aantal kinderen uit de onderste 50% dat met hard studeren en werken bij de bovenste 50% zal komen, af. Nu de sociale mobiliteit veranderd is, ontstaan nieuw beleidsvragen voor het onderwijs.</p>
<p>Om de ontwikkeling van de discussie over de verschuiving van publieke naar private bekostiging te begrijpen wil ik nog eens herhalen wat de laatste 150 jaar de kerngedachte was van de vooruitstrevende liberalen in Europa en de VS. Zij legden de nadruk op de individuele vrijheid. Het individu heeft de vrijheid om een goed leven en geluk na te streven. Daarvoor moet het individu zelf in vrijheid besluiten kunnen nemen. Ieder individu heeft daarmee veel verantwoordelijkheid voor het bereiken van zijn eigen goede leven en geluk. Als hij dat doel bereikt dan heeft hij dat aan zichzelf te danken. Maar wat gebeurt er als een deel van de getalenteerde kinderen de ruimte om zelf besluiten in vrijheid te kunnen nemen niet krijgt? Als zij onafhankelijk van hun talent, eigen wil en motivatie door geboorte in een maatschappelijke gevangenis terecht zijn gekomen? Dan klopt het basale liberale uitgangspunt voor onze samenleving niet meer voor iedereen. En dan vermorst onze samenleving heel veel talent. En dat is nu precies wat in veel westerse landen gebeurt. Het rijkste deel van de bevolking, zeg maar de inkomens van boven de € 40.000  per jaar, kiest op grote schaal politici die beloven de belastingen niet te verhogen. Dat geldt in alle westerse landen. In Nederland heeft het handhaven van de hypotheekrente aftrek hetzelfde effect. In alle gevallen wil de beter betaalde helft van de bevolking dat de collectieve middelen niet stijgen of streeft  zij een verlaging na. En de politici doen wat hen gevraagd wordt. Op korte termijn geeft dat electorale winst. Zeker als de politici belastingcadeaus uitdelen dan wel een slot zetten op hogere belasting voor de bovenste 50% of de hypotheekrente niet willen afschaffen. De tekort schietende staatsinkomsten die daarvan het gevolg zijn betekenen dat er minder ruimte blijft voor het collectief dragen van de kosten voor goed onderwijs. Er moet privaat geld bij om de kwaliteit te handhaven of er ontstaat een patroon met goede private scholen en universiteiten en slechte en overvolle publieke instellingen. Als mede daardoor de kinderen uit de onderste helft van de samenleving, afkomstig uit gezinnen met ouders die niet gestudeerd hebben, van de preschool tot en met het hoger onderwijs onvoldoende begeleid kunnen worden dan zal juist die groep het niet redden, zoals  alle statistieken voortdurend laten zien. De VS kennen relatief veel private bekostiging in relatie tot de omvang van de publieke bekostiging. Mede daardoor zijn er in de VS een aantal hele goede private basisscholen, middelbare scholen en dure excellente universiteiten, maar wel voor een beperkt aantal leerlingen en studenten. Het onderwijs voor de grote middengroepen is van slechte kwaliteit en het onderwijs voor de onderkant is treurig slecht van kwaliteit. En hoewel de VS een hoog percentage studenten aan de universiteiten en veel hoger opgeleiden in de beroepsbevolking kennen, laten de statistieken van de OECDzien dat het opleidingsniveau van de 25-34 jarigen op een zelfde hoogte ligt als dat van de 55-64 jarigen. <a href="#_ftn7">[7]</a> De groei is er uit en de laatste twintig jaar lijkt er zelfs een lichte terugval in het aantal hoger opgeleiden te zijn opgetreden.<a href="#_ftn8">[8]</a> De VS zijn de laatste 20 jaar ruimschoots ingehaald door Korea, Japan, Singapore, Canada, Australië en Nieuw Zeeland. Overal in de westerse wereld zien we dat onafhankelijk van de aangeboren talenten de kinderen uit de onderste helft de slechtste onderwijskansen hebben. Dit leidt bijna altijd tot vroegtijdige schooluitval, lage geletterdheid en een ernstig gebrek aan basale wiskunde en rekenvaardigheid aan de onderkant van de samenleving. En ook al dringen de zgn. eerste generatie studenten ( een mooi neutraal woord voor de studenten uit de gezinnen met laag opgeleide ouders) door veel barrières heen en stromen ze het hoger onderwijs in dan behoren ze massaal tot de uitvallers. Dit proces leidt op langere termijn tot groot verlies van aanwezig talent.</p>
<p>Politici willen ontzettend graag dat het land economisch nog beter gaat presteren. Dat geldt zowel voor conservatieve als voor vooruitstrevende politici. Het gold net zo zeer voor George Bush toen hij het zeer kostbare programma ‘No Child Left Behind’ lanceerde, als voor Barack Obama toen hij dit programma voortzette. Het gold voor Wim Kok en voor Mark Rutte. In de discussie over de bekostiging van het (hoger) onderwijs lijkt het daarom vaak alsof het onderwijs enkel en alleen een economische functie bezit. Zeker, het onderwijs heeft een economische functie. Maar dat is niet de enige functie. Soms zelfs niet eens de belangrijkste. Het onderwijs heeft ook een sociale en culturele functie. Het individu ontvangt een hoger life time inkomen. Maar een hogere opleiding betekent grosso modo ook een grotere participatie in het culturele leven, een groter netwerk van mensen, een gezonder leven, meer ruimte om de wereld rond te reizen, een partner met een grotere verdiencapaciteit en niet in de laatste plaats een uitdrukkelijk betere uitgangspositie voor de kinderen die in dit gezin geboren gaan worden. Deze sociale en culturele voordelen zijn niet in de economische waarde van een hoger diploma te vatten. En ook het economische begrip Nationaal Inkomen laat niet direct zien dat er meer is dan alleen geld verdienen. Maar het is er wel en iedereen hecht ook erg aan die culturele en sociale voordelen.</p>
<p>Kwikkers kritiseert Halbe Zijlstra regelmatig waar hij excellentie als de panacee voor menig probleem ziet. Kwikkers zegt dat het begrip excellentie onderhevig is aan ernstige inflatie. Als iedereen overal moet excelleren, wat is dat dan anders dan gewoon goed functioneren? Als we de Pisa gegevens van de OECD bekijken dan zien we dat in Nederland ongeveer 2,5% van de vijftienjarigen cognitief excellent presteert. <a href="#_ftn9">[9]</a> Dat is ongeveer hetzelfde percentage als in Duitsland, Frankrijk, België of de VS. Landen als Finland, Korea, Singapore en Japan hebben een groter cohort excellente jongeren. En het klinkt aantrekkelijk als we zouden investeren om de groep excellente jongeren te vergroten naar 5%. Maar wat zijn de kosten die we ons daarvoor moeten getroosten? En wat laten we dan aan alternatieven liggen? Is er wel een zakelijke winst-verlies afweging gemaakt? Ik ben erg sceptisch omdat het om kleine aantallen gaat. Verder moet je extreme investeringen doen om van een Porsche een Ferrari te maken en wat levert dat dan uiteindelijk op? Is het niet veel slimmer om te investeren in de ontwikkeling van de vroegere Lada of VW Kever naar de huidige Toyota en VW Golf? Dat gaat om grote aantallen en heeft de mobiliteit veel goeds gedaan. Het echte menselijke kapitaal is te vinden in de heel grote groepen in het midden van de samenleving. Kenmerkend voor de vijf beste kenniseconomieën van de wereld is niet de omvang van hun excellentie aan de bovenkant, maar hun relatief kleine groep laag geletterden aan de onderkant ten gunste van een heel grote middengroep die goed geschoold is. De beste kenniseconomieën zijn in staat de kinderen aan de onderkant goed te leren lezen en rekenen en ze blijken in staat om een groter deel van de kinderen uit de onderste 50% met succes door te laten stromen naar het hoger onderwijs. Elk jaar gaan In Nederland bijna 100.000 jongeren per jaar naar het hoger onderwijs. Ik reken de oudere studenten niet mee. Van hen komen ongeveer 55.000 uit een gezin met laag inkomen dan wel laag opgeleide ouders. Energie steken in de opleiding van deze jongeren, de goede of beste docenten voor hen aantrekken en financieel investeren in deze heel grote groep is vanuit de return on investment gedachte veel effectiever en efficiënter dan steeds meer te focussen op de kleine top. Kwikkers beschrijft dat goed, als er voor dat kleine groepje extra geld wordt vrijgemaakt dan komt dat onvermijdelijk juist van die veel grotere groep, het gaat ten koste van het onderwijs aan de modale student die in ongeveer 50% van de gevallen uit een gezin komt waarbij hij zijn ouders voorbij zal streven. De titel ‘Ruim Baan voor Talent’ is een mooie leus als er gedoeld wordt op die ruim 50.000 eerstejaars studenten die door het glazen plafond willen breken. De tragiek is natuurlijk dat ‘Ruim Baan voor Talent’ doelt op de kleine groep studenten die de weg naar hun doel altijd al wisten te vinden, ook zonder extra geld en aandacht.</p>
<p>Het is niet zo eenvoudig om te doorzien wat de precieze oorzaak is van zoveel goed bedoeld maar volledig averechts werkend beleid. Kwikkers heeft dan wel een heel gedegen tekst geschreven, hij blijft het antwoord schuldig waarom achtereenvolgende ministers beleid voeren dat in zijn uitwerking perverse en tegengestelde gevolgen kent. Hij laat de perverse gevolgen van hbo-fraude, diploma-inflatie en sturen op kwantiteiten goed zien. Maar daarmee is nog weinig verklaard. Ik denk dat dit ook heel erg moeilijk is. Mij vallen twee zaken op bij de ministers, staatssecretarissen en bestuurders. En ik geef die waarneming graag voor beter als verklaringen voor veelvuldig ineffectief en inefficiënt (hoger) onderwijsbeleid.</p>
<p>Ten eerste is er een sterk idee dat de opvoeding en scholing van kinderen maakbaar is. Voor een deel is de opvoeding en scholing maakbaar, maar er lijken stevige grenzen aan ons vermogen om in de opvoeding en scholing echt betere resultaten te boeken. De leerling of student is voorwerp van beleid en het lijkt erop dat de staatssecretaris gelooft dat door uitspraken als ‘stevig aanpakken’, ‘nu breken met pappen en nathouden’, hij het studiesucces van de student zal verbeteren. Ik kom daar op terug. En ten tweede wordt er veel onderwijsbeleid bedacht en uitgevoerd, allemaal goed bedoeld, vaak goed passend in de promotie van de instelling, dan wel erg geschikt om extra subsidie binnen te halen, maar zonder onafhankelijke wetenschappelijke toetsing naar de vraag of het doelmatig is.</p>
<p>Het geloof in de maakbaarheid ligt aan de basis van het onderwijsbeleid. Het lijkt weinig verschil te maken of er een bewindspersoon van PvdA, VVD of CDA zit. Of er een conservatieve of vooruitstrevende politicus regeert, het maakt niet uit in hun basale aanname dat de werkelijkheid van het studiesucces te maken valt. Misschien is de woordkeus anders, de basis lijkt vaak hetzelfde. Ze stralen uit dat zij de resultaten van het (hoger) onderwijs zullen verbeteren. Daartoe passen ze de bekostigingssystematiek aan, geven premies voor diploma’s (Ritzen), voor een sterke uitbreiding van het aantal opleidingen (Hermans), voor een hoger opgeleide docent (Plasterk) of voor het aantal ingeschreven studenten (Zijlstra). Zijlstra zegt nu dat ‘het roer om moet’, de ‘zesjescultuur moet worden verlaten’, het  hoog tijd is voor ‘een heel ander beleid’. Kortom, we worden voorbereid op een geweldige toekomst, want deze bewindsman heeft de erg simpele knoppen gevonden waaraan hij kan draaien om iedereen beter te laten studeren. Ik onderschrijf de stelling van Kwikkers dat met het nieuwe beleid van Zijlstra het volgende hoger onderwijsechec is geboren. Het wordt met de nieuwe bekostigingssystematiek voor iedere hogeschool of universiteit aantrekkelijk om het bindend studieadvies te marginaliseren en studenten op kosten van de staat de nominale tijd te laten studeren. Maar liefst langer dan dat. Voor de instelling maakt het niet uit of hij publiek of privaat wordt betaald. Als de totale opbrengsten per student worden opgerekt is het goed voor de inkomstenkant van de instellingsbegroting. Een knappe bestuurder die dat patroon kan doorbreken. En als ik dit koppel aan mijn eerdere analyse over de grote groepen studenten die uit de lagere inkomensgroepen komen, tel uit je verlies aan talenten! Een te groot geloof in eigen betekenis en eigen kunnen maakt dat bewindslieden en bestuurders regelmatig projecten aanzwengelen die veel geld kosten maar weinig tot geen blijvende opbrengsten laten zien. In het ernstigste geval werken ze zelfs pervers. Het onderwijsbeleid kent vaak een onderschatting van de complexiteit van opvoeding en scholing. Daarmee zeg ik niet dat opvoeding en scholing onmaakbaar zijn, ze zijn complex, soms moeilijk te doorgronden en de resultaten zijn slechts tot op beperkte hoogte door opvoeders en docenten in de gewenste richting te sturen. Meer besef van ons beperkingen zou zeker helpen om geldverslindende mislukkingen te voorkomen en een bekostiging die kwaliteit voor iedereen stimuleert tot stand te brengen.</p>
<p>Ook de tweede onderliggende tendens is interessant, want weinig besproken. Politici en bestuurders zijn niet wezenlijk geïnteresseerd in onafhankelijke, wetenschappelijk onderbouwde analyses van hun beleid. In tegendeel. Veel opdrachten van overheden of bedrijven die gegeven worden aan universiteiten en hogescholen hebben als doel om een onderbouwing van een al vaststaande beleidsrichting te forceren. Anders gaat de opdracht helemaal niet de deur uit, men geeft niet graag opdrachten aan onderzoeksgroepen die waarschijnlijk controversiële data en analyses op tafel zullen leggen. Dat gebeurde bij de aanleg van de Betuwelijn, het gebeurde bij de inval in Irak of Afghanistan en het gebeurt even zo goed bij het onderwijsbeleid. Het verstrekken van opdrachten waar een politiek of bestuurlijk doel mee gemoeid is corrumpeert. Er wordt geld betaald en morgen komt er weer een opdracht. Universiteiten en hogescholen zouden zich ten diepste tegen dit corrumperende gevaar moeten wapenen. Maar dat doen ze niet. Ze zitten in een systeem waarin hun bestaan deels afhangt van dit type opdrachten. Het is een deel van hun inkomen. De bestuurders van hogescholen en universiteiten doen vaak op hun niveau hetzelfde. Ze geloven in de projecten die ze opzetten. Ze bedoelen het goed! Maar ze houden niet van wetenschappelijk gevalideerde feedback, dat komt ze vaak niet uit. Ik kan dat verduidelijken aan de hand van een voorbeeld. We zeggen in Nederland heel vaak tegen elkaar dat een deel van de studenten verkeerd kiest. De keerzijde is dat de betrokken hogeschool of universiteit niet in staat is gebleken om een interessant curriculum te bieden, onvoldoende didactische vermogen toont en docenten inzet die eigenlijk nog geen volleerde leermeesters zijn. De hogeschool of universiteit faalt behoorlijk, maar die zelfreflectie is lastig te hanteren. Veel gemakkelijker is het om te zeggen dat de uitvallende studenten verkeerd gekozen hebben. Die studenten protesteren ook niet meer. Ze zijn weg uit de opleiding. Bestuurders zeggen vervolgens dat een intakegesprek met iedere student fantastisch zal werken, het is in het geheel niet gestoeld op onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, maar het wordt gezegd, geschreven en herhaald. De koepelorganisatie neemt het idee op in zijn strategisch plan en staatssecretaris Zijlstra raakt enthousiast en noemt de intake en begeleidingsgesprekken in zijn toespraken als voorbeeld van een geweldige sturing op instellingsniveau. Hij laat zich ter plekke voorlichten over alle goede intenties en dan schrijft hij in zijn nota ‘Kwaliteit in Verscheidenheid’ dat de hogeschool die zich profileert op intakegesprekken gehonoreerd zal worden met extra bekostiging vanuit zijn kwaliteitspotje. En hij laat graag aan allen weten dat iedere hogeschool of universiteit die zich profileert ook zijn financiële steun kan verwachten. En zo is de cirkel rond. Want ieder bestuur dat ziet dat er onder het ministerieel bureau een zak met geld staat gelooft nog meer in zijn eigen aanpak. Wetenschappelijke twijfel over de resultaten komt op dat moment niet van pas. Het aardige van dit voorbeeld is dat de bedoeling van al die intakegesprekken zo ontzettend goed is, men heeft intrinsiek de intentie om de studenten te helpen. Maar werkt het? Wie heeft dat onderzocht? Is er voldoende kritische studie gedaan? Is er bijvoorbeeld in het buitenland gezocht naar vergelijkbaar beleid en uitvoering? En dan het liefst niet in het land dat de slechtste onderwijsresultaten boekt van alle westerse landen! Is een pilotstudie onafhankelijk van de belangen van de instelling uitgevoerd? Ik heb jarenlang de gegevens van instromende studenten soms tot op de week gevolgd en gehoopt dat ik lichtpuntjes zou zien. Ik heb met veel onderzoekers samengewerkt. Ik wilde heel graag zien dat al die extra activiteiten het succes van de student zou bevorderen. Soms deden ze dat ook, maar evenzo vaak was ik teleurgesteld over de matige of geheel ontbrekende resultaten van het vele werk. Eerlijk gezegd is er niet veel bewijs dat intakegesprekken of de begeleidende gesprekken daarvoor en daarna veel resultaten boeken. De investering in menskracht is wel groot. Het teleurstellende was dat ik soms moest constateren dat de studenten die intake- of begeleidingsgesprekken hadden gevoerd aan het einde van het eerste jaar gelijk of zelfs slechter scoorden dan degenen zonder deze gesprekken. En ik volgde al jaren een opleiding waarin een heel enthousiaste groep docenten een begeleidingsstructuur in het eerste studiejaar opzette en zag tot mijn spijt dat het studiesucces niet significant omhoog ging. Tegenover teleurstellingen staan zeker ook successen. Maar mijn boodschap is dat het noodzakelijk is dat deze processen op een wetenschappelijk verantwoorde manier gevolgd worden. Bewindslieden en bestuurders zouden voortdurend moeten willen weten welke beleidsmaatregelen het gewenste effect sorteren. Maar helaas kennen vele bewindslieden en bestuurders weinig twijfel over de door hen voorgestelde <em>quick wins</em>. Ze zijn niet van te voren in pilots onderzocht door onafhankelijke wetenschappers. Er is teveel financieel gewin van afhankelijk en men kan zich niet veroorloven dat de uitslag negatief is. Jammer, want veel docenten en bestuurders delen de goede intenties, maar ze tonen te veel weerstand tegen harde feedback op de resultaten van hun werk. Het is te hopen dat er zich een onafhankelijke wetenschappelijke traditie gaat ontwikkelen van onderzoek naar effectieve interventies in het curriculum, de studieloopbaan in het hoger onderwijs en de opleiding tot docent. En het zou mooi zijn als bewindslieden, bestuurders en docenten zich intensief over de resultaten van dat onderzoek zouden buigen.</p>
<p>Als de samenleving meer publiek geld wil besteden aan het (hoger) onderwijs, waar wordt dat dan het meest effectief besteed? Kwikkers geeft daar geen antwoord op. Dat begrijp ik vanuit zijn gedegen wetenschappelijke benadering van het onderwerp. Maar ik wil voor de discussie wel mijn mening geven, een mening die ik kan ondersteunen met onderzoek door de beste economen uit de wereld. Extra bekostiging moet besteed worden aan het onderwijs van kinderen van nul tot vier jaar. En dan speciaal aan al die kinderen uit de onderste 50% van de bevolking. Vijf dagen per week naar een goed geoutilleerde preschool levert over vijftien jaar veel meer goede studenten op voor het hoger onderwijs. Ten tweede zullen we kinderen of studenten met een achterstand of handicap extra moeten helpen. Die handicap kan fysiek zijn en dan past het om in scholen en universiteiten de goede voorwaarden te scheppen voor hun leerproces. De handicap kan ook de taalvaardigheid in het Nederlands of Engels betreffen. En ook daar is wat aan te doen, het is helemaal niet zo moeilijk om studenten daarbij te helpen zodat na een jaar studie de handicap geminimaliseerd is. En of de handicap nu de ene of de andere vorm aanneemt, als een student de talenten heeft dan loont het voor de samenleving om die talenten te ontwikkelen en er extra bekostiging voor over te hebben. Misschien is nog wel het meest vervelende gevolg van de combinatie van een vergrote autonomie voor de instelling, de groei van de studentenaantallen én het vigerende bekostigingssysteem dat in diverse hogescholen en universiteiten de kwaliteit van het onderwijs restpost werd. Zeker niet bij alle instellingen, maar toch bij een deel van de instellingen. De samenleving reageert daar zeer geschokt op. En dat is begrijpelijk, want tegenover een grote collectieve bekostiging moet staan dat er aan een kwaliteitsstandaard wordt voldaan. De samenleving moet daarop kunnen vertrouwen. We zien de discussie over deze kwestie in alle westerse landen. Het antwoord dat meestal gegeven wordt is dat er leerstandaarden worden afgesproken en dat er een regelmatige (centrale) toetsing komt. De kwaliteit van het (hoger) onderwijs is een te groot nationaal belang om te laten verslonzen, dat beseffen politici maar al te goed, of ze nu conservatief of progressief zijn. Ze willen gegarandeerd zien dat de samenleving voor de bij elkaar geschraapte belastinggelden een standaard aan onderwijskwaliteit terug krijgt. Dus dat zou mijn derde investeringsdoel zijn.</p>
<p>De bekostiging van het (hoger) onderwijs zou tot doel moeten hebben dat alle talenten die bij geboorte in de samenleving aanwezig zijn optimaal ontplooid worden. Kwantitatief en kwalitatief. Ieder overeenkomstig zijn eigen niveau en bij iedereen met een maximale inspanning van de leerling/student  en de samenleving. Geen enkele samenleving in de wereld heeft dit doel bereikt. Hoewel Nederland een goed functionerend onderwijsstelsel heeft, zich tot de subtop van de wereld mag rekenen, kan het de onderwijsprestaties nog flink opschroeven. Daarvoor is bij bestuurders en bewindslieden veel meer kennis van onderwijs en zelfkritisch vermogen noodzakelijk. Een goed bekostigingssysteem stimuleert bestuurders en docenten tot effectief onderwijsbeleid. Een goed bekostigingsbeleid lokt geen pervers gedrag uit. Het gedrag van de docent moet optimaal ten dienste staan van een effectief en efficiënt leerproces van de student. Kwikkers schrijft uitstekend op aan welke voorwaarden een bekostigingssysteem moet voldoen. De overheid moet natuurlijk goede bedoelingen houden maar terughoudend zijn in zijn geloof in het eigen sturingsvermogen. En datzelfde geldt ook voor de besturen van hogescholen en universiteiten. Maatregelen die uniform voor alle studenten gelden kosten vaak onevenredig veel menskracht, zijn ineffectief en kunnen deels zelfs in hun tegendeel verkeren. Bestuurders zouden er alert op moeten zijn dat ze ruimte scheppen voor intern gedifferentieerd beleid, sterker nog, zelfs op de werkvloer van de docenten moet differentiatie van maatregelen de norm zijn als dat de effectiviteit van het leerproces van de student ten goede komt. Veel onderwijsinstellingen worden tegenwoordig bestuurd als waren het bedrijven met een massaproduct. De bekostigingssystemen hebben dat niet veroorzaakt, wel gesanctioneerd. Maar ze hebben ongewild ook bevorderd dat de kwaliteit van onderwijs en toetsing hier en daar ernstig schade leed en ze hebben ongewild ook verhinderd dat het studiesucces verbeterde. Het bevorderen van de kwaliteit van ons onderwijs en het meegeven van een hoger opleidingsniveau aan de jeugd is een enorm ingewikkelde klus. Er is niet één enkele knop in een ministers- of bestuurskamer waarmee dat geregeld kan worden. Het is het meer dan waard om dit doel na te streven, maar het is een meervoudige uitdaging waar velen aan mee moeten werken. Het is ook een doelstelling die veel verder reikt dan alleen een hoger Nationaal Inkomen, want een samenleving met een heel grote, veelkleurige, diverse en hoog opgeleide middenlaag, die innovatief, creatief, cultureel en sociaal sterk is, geeft de meeste kans op een duurzame en succesvolle toekomst.</p>
<p>Peter Kwikkers, bedankt voor jouw analyse van de bekostiging van het (hoger) onderwijs, ik vond het een plezier om naar aanleiding van jouw tekst een paar kritische kanttekeningen te noteren.</p>
<p>Dit coreferaat wordt gepubliceerd in het boek van Peter Kwikkers, Inleiding in het bekostigingsrecht; Over verdeelmodellen, bezuinigingen en beleidsprikkels in het (hoger) onderwijs, uitgave Nederlandse Vereniging voor Onderwijsrecht, 25 november 2011.</p>
<hr size="1" /><a href="#_ftnref1">[1]</a> OECD, <em>Education at a Glance</em>, 2011 Paris, p. 40. De leeftijdscohorten van Nederland laten een duidelijke vooruitgang zien van het percentage dat een hoger onderwijs diploma bezit. 40% van de 25-34 jarigen, 34% van de 35-44 jarigen, 31% van de 45-54 jarigen en 27% van de 55-64 jarigen bezitten een hoger onderwijs diploma. In Nederland hebben nu 2,9 miljoen burgers een hoger onderwijsdiploma. In de wereld is dat 210 miljoen.</p>
<p><a href="#_ftnref2">[2]</a> OECD, <em>Education at a Glance</em>, 2011 Paris, p. 134. Slechts 27% van de Nederlandse hoog opgeleide vrouwen werkt fulltime. In Frankrijk en Australië is dat 66%, in Korea 86% en in Finland 88%. Gemiddeld werkt in de rijke OECD-landen 67% van de hoog opgeleide vrouwen fulltime.</p>
<p><a href="#_ftnref3">[3]</a> Wilkinson,R. en Pickett,K. (2009), <em>The Spirit Level, Why more equal societies almost always do better</em>, Penguin Books, London. Tony Judt geeft in <em>Het land is moe</em>, 2010, Uitgeverij Contact, Amsterdam, p. 23 tot 50 een uitstekende samenvatting van het boek van Wilkinson en Pickett.</p>
<p><a href="#_ftnref4">[4]</a> Unicef Innocenti Research Centre, <em>Child Poverty in Perspective in an Overview of Child well-being in Rich Countries</em>, Florence 2007, Innocenti report card.</p>
<p><a href="#_ftnref5">[5]</a> Er zijn heel veel uitstekende boeken en analyses over dit onderwerp, ik noem er hier drie. Dronkers,J., <em>Ruggengraat van ongelijkheid, beperkingen en mogelijkheden om ongelijke onderwijskansen te veranderen</em>. 2007, Mets&amp;Schilt, Amsterdam. Bowen,W.G. en Bok,D., <em>The Shape of the River, Long-term consequences of considering race in college and university admissions</em>, 1998, Princeton University Press, New Jersey. Arum,R. and Roksa,J. <em>Academically Adrift, Limited Learning on College Campuses</em>, 2011, The University of Chicago Press, Chicago. Verder levert de OECD met zijn <em>Programme for International Student Assessment</em> (Pisa) 2009, Paris, een schat aan materiaal over de relatie tussen de socio-economische achtergrond en het opleidingsniveau van de ouders en de leerprestaties van de kinderen.</p>
<p><a href="#_ftnref6">[6]</a> Blanden,J., Gregg,P. and Machin,S., <em>Intergenerational Mobility in Europe and North America, A report supported by the Sutton Trust, </em>2005, London School of Economics, London.</p>
<p><a href="#_ftnref7">[7]</a> OECD, <em>Education at a Glance</em> 2011, Parijs. Op p. 244 staan de percentages publieke en private bekostiging voor het hoger onderwijs van de OECD-landen. In 2008 wordt het hoger onderwijs in Engeland en de VS voor 35% en 37% publiek gefinancierd, in Nederland voor 73%, Duitsland 85%, Zweden 89%, België 90%, Finland 95% en Denemarken 95%. Nu in 2010/2011 de collegegelden in Engeland verhoogd zijn naar kostprijsniveau zal de publieke financiering daar het nulpunt gaan benaderen. De opmerking over het teruglopend aantal hoger opgeleiden onder de Amerikaanse beroepsbevolking in het komende decennium staat als één van de zorgelijke ontwikkelingen ook samengevat in de aanbiedingsbrief van de OECD.</p>
<p><a href="#_ftnref8">[8]</a>Er zit natuurlijk een zekere tragiek in de teloorgang van het nog steeds rijkste land ter wereld. Van 1870 tot 1970 kreeg de hele bevolking van de VS het beste onderwijs ter wereld. De middenklasse was de hoogst opgeleide, meest innovatieve en grootste van de wereld. Hun eigen beleid om een hoge private bijdrage voor goed onderwijs te vragen en de vele slecht presterende publieke scholen en universiteiten armoedig te financieren hebben als effect dat die grote goed opgeleide middenklasse aanzienlijk is verzwakt. Dat is een effect met een hele lange doorlooptijd. De huidige Amerikaanse beroepsbevolking kent de grootste onderklasse van de westerse wereld. Deze is bijna ongeletterd. En de huidige middenklasse heeft matig tot slecht onderwijs genoten. Daarmee kunnen de VS de wereldwijde economische competitie alleen maar verliezen. David Brooks, een uitstekend commentator in de NYT, heeft daar al vaak op gewezen.</p>
<p><a href="#_ftnref9">[9]</a> OECD <em>Programme for International Student Assessment</em> (Pisa) 2009, Paris.</p>
<div id="pfButton"><a href="http://www.pimbreebaart.nl/blog/?p=1142&pfstyle=wp" title="Print an optimized version of this web page" style="text-decoration: none;"><img id="printfriendly" style="border:none; padding:0;" src="http://cdn.printfriendly.com/pf-icon-small.gif" alt="Print"/><span style="font-size: 11px; color: rgb(50, 50, 50);">Print dit bericht</span></a></div>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.pimbreebaart.nl/blog/?feed=rss2&amp;p=1142</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

